Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO5306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
02/3776 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing van de zogenaamde reductiefactor, zoals beschreven onder stap 3 van appellants beleid, neergelegd in de bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3776 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

M.N. Hendriks, wonende te Oosterhout, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 8 september 2000 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 5 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 januari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 30 mei 2002 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de arbeidsongeschikt-heidsklasse waarnaar gedaagde uitkering ingevolge de WAO krijgt toegekend per 5 oktober 2000 wordt vastgesteld op 45 tot 55%. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door gedaagde gemaakte proceskosten en verstaan dat appellant het griffierecht aan gedaagde vergoedt.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. G.B.A. Bol, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.

Appellant heeft vervolgens hierop gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 februari 2003, waar namens appellant is verschenen drs. M.P.W.M. Wiertz, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bol, voornoemd.

II. MOTIVERING

Gedaagde, geboren op 12 mei 1949, was laatstelijk werkzaam als directiesecretaresse. Zij is op 7 oktober 1999 in deze functie uitgevallen wegens psychische klachten en vermoeidheid. Appellant heeft naar aanleiding van een medisch en arbeidskundig onderzoek bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit van 8 september 2000 de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 oktober 2000 vastgesteld op 35 tot 45%.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend.

Met betrekking tot het medische aspect van de in geding zijnde schatting van de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, waarin de Raad zich geheel kan vinden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat eventuele twijfel aangaande de omvang waarin gedaagde belastbaar is, voor risico van gedaagde dient te blijven, nu gedaagde heeft geweigerd mee te werken aan het door de rechtbank ingestelde deskundigenonderzoek. De Raad voegt daar aan toe dat gedaagde haar stelling, dat te vrezen valt dat een nader psychiatrisch onderzoek haar genezingsproces nadelig zal beïnvloeden, niet met enig medisch stuk heeft gestaafd zodat de Raad aan deze stelling geen doorslaggevende betekenis toekent.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de in geding zijnde schatting heeft de rechtbank overwogen dat gedaagdes verdiencapaciteit op onjuiste wijze is vastgesteld, waarbij de rechtbank doelt op de toepassing van de zogenaamde reductiefactor, zoals beschreven onder stap 3 van appellants beleid, neergelegd in de bijlage bij zijn Besluit uurloonschatting 1999 (besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40, verder te noemen: het BUS).

De Raad overweegt het volgende.

Gedaagde was in de maatgevende functie werkzaam gedurende 40 uur per week. Appellant heeft de schatting van de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid doen steunen op de functies van inpakker, notaverwerker en verkoper boekhandel, welke functies een geringere urenomvang hebben dan de maatgevende functie. De functie van inpakker komt voor in de omvang van 32, 30 en 25 uur per week, de functie van notaverwerker komt voor in de omvang van 34 en 26 uur per week en de functie van verkoper boekhandel komt voor in de omvang van 32, 20 en 15 uur per week.

Ingevolge stap 3 van het BUS vermenigvuldigt appellant het mediane uurloon met een reductiefactor, opdat in de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid tot uitdrukking wordt gebracht dat de schatting wordt gedragen door één of meer functies met een urenomvang kleiner dan de urenomvang van de maatgevende arbeid. De Raad heeft het schatten op functies met een kleinere urenomvang onder toepassing van een reductiefactor reeds eerder, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 5 en 26 november 2002, gepubliceerd in respectievelijk USZ 2003/2 en 19, aanvaardbaar geacht. De Raad ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

De Raad stelt voorts vast dat appellant de reductiefactor overeenkomstig het BUS heeft bepaald, door de functies te rangschikken naar grootste urenomvang (32, 34 en 32 uur) en vervolgens de laagste waarde (32 uur) te delen door de omvang van de maatgevende arbeid (40 uur). De aldus bepaalde reductiefactor van 32/40 heeft appellant vermenigvuldigd met het mediane uurloon ad f. 22,88, hetgeen resulteert in een resterende verdiencapaciteit ad f. 18,30 welke afgezet tegen het voor gedaagde geldende maatmaninkomen ad f. 31,84 leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van

35 tot 45%. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

SSw