Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO5270

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2003
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
00/5442 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Biedt artikel 36a van de WAO geen ruimte voor het voeren van een beleid als door appellant neergelegd in het Besluit herziening en intrekking uitkeringen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/5442 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant

en

[appellant], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. P. de Casparis, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 juni 2003, waar voor appellant is verschenen mr. I.F. Pardaan, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde -na voorafgaand bericht- niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde, die in het genot was van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsonge-schiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, heeft aan appellant in maart 1997 een 'Inlichtingenformulier AAW/WAO' doen toekomen. Op de vraag: 'Verwacht u dat er in de nabije toekomst - voor zover u nu bekend - een wijziging in inkomsten zal optreden.', is door haar geantwoord: 'ja, per 1 maart 1997, nog geen officieel bericht van Pers. zaken.' In de toelichting op dit antwoord is door gedaagde aangegeven dat, 'als rond', zij per 1 maart 1997 fl. 194,- bruto per maand meer gaat verdienen.

Uit een zich onder de gedingstukken bevindend, aan gedaagde gericht, 'intern memo' van gedaagdes werkgever van 17 maart 1997 blijkt dat bij dat schrijven aan gedaagde is medegedeeld dat zij per 1 maart 1997 is ingedeeld in FWG-schaal 35-7. 'Daarnaast krijgt u gezien uw kennis van zaken per maand een extra toeslag van fl. 194,- bruto per maand. U ontvangt hierover nog een officiƫle brief van de dienst personeel en organisatie.'

Bij brief gedateerd 8 april 1997, gericht aan gedaagde, heeft het hoofd personeel en organisatie van gedaagdes werkgever de gemaakte afspraken bevestigd.

Bij een 'Inlichtingenformulier AAW/WAO' gedateerd 22 september 1997 heeft gedaagde aan appellant laten weten dat zij per 1 maart 1997 teamleidster telefooncentrale is geworden en per maand een extra toeslag van fl. 194,- ontvangt.

Gedaagde is op 26 februari 1998 gezien door de arbeidsdeskundige H.G.P. van der Hoogte. In de 'rapportage algemeen' van 2 maart 1998 concludeert deze dat gedaagde, op basis van de door haar gerealiseerde verdiensten, sedert januari 1997 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is te beschouwen.

Daarop heeft appellant bij besluit van 9 maart 1998 gedaagdes WAO-uitkering met ingang van 1 januari 1997 ingetrokken. Aan dit besluit is onder meer ten grondslag gelegd artikel 43 van de WAO.

In bezwaar is namens gedaagde onder meer aangevoerd dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zich verzetten tegen het met terugwerkende kracht intrekken van de uitkering.

Bij besluit van 17 juni 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant de beslissing van 9 maart 1998 herroepen voor wat betreft de ingangsdatum van de intrekking van de uitkering en het primaire besluit gehandhaafd ten aanzien van het overige. De uitkering wordt ingetrokken met ingang van 1 maart 1997.

Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 36a van de WAO. Aangegeven wordt dat in het Besluit herziening en intrekking uitkeringen het beleid met betrekking tot de toepassing van genoemde bepaling is neergelegd. Dit beleid houdt in dat herziening van het recht op uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd betaald of het redelijkerwijs duidelijk is geweest dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd betaald. Indien het redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd betaald, wordt daarentegen herzien of ingetrokken per toekomende datum.

Toegepast op de situatie van gedaagde wordt aangegeven dat over de periode 1 januari tot 1 maart 1997 het gedaagde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat te veel uitkering werd betaald. Voor de periode na 1 maart 1997 ligt dat echter anders. De inkomens-wijziging per 1 maart 1997 is eerst op 22 september 1997 als definitief doorgegeven. Aldus heeft gedaagde haar inlichtingenplicht geschonden (artikel 80 van de WAO). Gesteld wordt dat zowel door toedoen van gedaagde te veel is betaald, als dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat teveel werd betaald.

In beroep is door gedaagde een beroep gedaan op de zogenaamde 'zesmaanden-jurisprudentie'. Er is doorbetaald tot 9 maart 1998, terwijl appellant in elk geval reeds sedert 25 maart 1997 op de hoogte was van de inkomenswijziging.

Gezien het inlichtingenformulier van 25 maart 1997 heeft gedaagde wel degelijk voldaan aan haar inlichtingenplicht. Gedaagde betwist dat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de wijzigingen in haar salaris konden leiden tot intrekking van haar uitkering. Gedaagde wijst erop dat appellant dit zelf ook vindt voor wat betreft de periode van

1 januari 1997 tot 1 maart 1997.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de rechtbank op 5 juni 2000, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. Door de rechtbank is daarbij de vraag aan de orde gesteld of de tekst van artikel 36a van de WAO wel de ruimte biedt voor het voeren van beleid.

Bij brief van 16 juni 2000 heeft appellant, gemotiveerd, en onder verwijzing naar correspondentie met het College van toezicht sociale verzekeringen, betoogd dat het Besluit herziening en intrekking uitkeringen invulling geeft aan het bij de toepassing van artikel 36a van de WAO door appellant in acht te nemen zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.

Bij de in rubriek I genoemde uitspraak van 18 september 2000 heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Volgens de rechtbank biedt artikel 36a, van de WAO, gezien ook de wetsgeschiedenis, geen grondslag voor het voeren van beleid. Het door appellant gevoerde beleid als omschreven in het Besluit herziening en intrekking uitkeringen, dient bij toetsing van het bestreden besluit dan ook buiten toepassing te blijven. Dat brengt mee dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat het met toepassing van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd dient te worden. Nu niet in geschil is dat gedaagde per 1 maart 1997 geen recht had op uitkering en de uitkering -gelet op artikel 36a, van de WAO- met terugwerkende kracht is ingetrokken, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat er anderszins een reden is om van intrekking per die datum af te zien, heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank geeft te kennen dat zij aan een bespreking van de door gedaagde aangevoerde grieven thans niet meer toekomt.

In hoger beroep heeft appellant verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en het inleidend beroep ongegrond te verklaren. Betoogd wordt dat de verplichting tot intrekking met terugwerkende kracht niet vanzelf meebrengt dat er geen ruimte meer is voor werking van het rechtszekerheidsbeginsel. Via het begrip 'dringende redenen' kan, aldus appellant, aan het rechtszekerheidsbeginsel in een dergelijk geval onvoldoende recht worden gedaan. 'Dringende redenen' zien immers, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, op uitzonderlijke situaties.

Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank met recht het bestreden besluit, waarbij gedaagdes WAO-uitkering met ingang van 1 maart 1997 is ingetrokken, heeft vernietigd. De rechtbank heeft deze vernietiging doen steunen op haar opvatting dat artikel 36a van de WAO geen ruimte biedt voor het voeren van een beleid als door appellant neergelegd in het Besluit herziening en intrekking uitkeringen.

De Raad kan de rechtbank in deze opvatting niet volgen.

Ten aanzien van de dwingendwettelijke bevoegdheid neergelegd in artikel 36a van de WAO heeft de Raad reeds eerder als zijn opvatting te kennen gegeven dat het ter zake door appellant, uit een oogpunt van rechtszekerheid, gevoerde beleid niet in strijd komt met genoemde bepaling of met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 21 maart 2001, gepubliceerd in USZ 2001/141.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Nu de rechtbank aan de bespreking van gedaagdes grieven niet is toegekomen zal de Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, nagaan of deze grieven tot vernietiging van het bestreden besluit dienen te leiden.

Gedaagde heeft betwist dat door haar toedoen ten onrechte/tot een te hoog bedrag WAO-uitkering is betaald en/of dat dit haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen.

De Raad stelt voorop dat hij de stelling van gedaagde verwerpt dat zij via het inlichtingenformulier van maart 1997 aan haar mededelingsverplichting heeft voldaan. Het voorwaardelijke karakter van de desbetreffende mededeling bracht, naar het oordeel van de Raad, mee dat gedaagde, na het definitief worden van de salarisregeling per

1 maart 1997, daarvan aan appellant kennis had moeten geven. Gedaagde heeft evenwel eerst op 22 september 1997 aan appellant van die regeling -als vaststaand- melding gemaakt. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde aldus haar inlichtingenplicht geschonden.

Voor de beslissing in dit geding ten overvloede merkt de Raad op dat, objectief beschouwd, het gedaagde (tevens) redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de salarisverhoging per 1 maart 1997 -gezien ook de omvang van de verhoging- van invloed zou zijn althans zou kunnen zijn op haar rechten ingevolge de WAO.

Gedaagdes grief dat het bestreden besluit niet in overeenstemming is met appellants, ten tijde hier in geding, gevoerde 'zesmaanden-beleid' kan evenmin slagen op de grond dat dit beleid betrekking had op de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering, terwijl het bestreden besluit ziet op de intrekking van de uitkering.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2003.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) T.R.H. van Roekel.

RG