Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO5268

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
02/5089 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de uitvoeringspraktijk kunnen de stappen van het BUS door elkaar gaan lopen. Dit heeft te maken met de wijze waarop in het FIS-systeem (en thans het CBBS-systeem) rekening is gehouden met de arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

02/5089 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 oktober 2001 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 november 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellant heeft het door mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 30 januari 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft het door de gemachtigde van gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 30 januari 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 21 augustus 2002 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, alsmede bepaald dat het bezwaar alsnog gegrond is, dat het primaire besluit wordt herroepen, dat de arbeidsongeschiktheidsklasse waarnaar gedaagde uitkering ingevolge de WAO ontvangt per 18 november 2001 wordt vastgesteld op 45 tot 55% en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent vergoeding aan gedaagde van proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 10 juni 2003, waar partijen - met kennisgeving - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Gedaagde was werkzaam als medewerkster krantendistributie voor 13,85 uur per week in avond-/nachtdienst en als PTT sorteerster voor 13,7 uur per week in avonddienst toen zij uitviel in juni/juli 1999 wegens obstipatie, buikpijn en duizeligheid. Na het doorlopen van de daarvoor geldende wachttijd heeft appellant gedaagde bij besluit van 20 november 2000 met ingang van 5 juni 2000 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de wettelijke herbeoordeling van het recht op uitkering ingevolge de WAO heeft de verzekeringsarts R.C. van Rijswijk gedaagde op 6 augustus 2001 onderzocht en heeft hij in zijn rapport van dezelfde datum aangegeven dat blijkens gegevens van de curatieve sector de oorzaak van de klachten van gedaagde niet duidelijk was en dat er desondanks duidelijke beperkingen voor gedaagde bestaan bij het verrichten van loonvormende arbeid. Het gaat, aldus Van Rijswijk, niet alleen om een energetische beperking, maar ook om beperkingen in verband met de aanvalsgewijze duizeligheidsklachten en de buikklachten van gedaagde. Een en ander vond uitwerking in het FIS-formulier van 6 augustus 2001 en het belastbaarheidspatroon van 7 augustus 2001. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.P.W. Ketelaars op basis hiervan en van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 7 augustus 2001 een aantal functies geselecteerd en heeft hij blijkens zijn rapport van 13 september 2001, uitgaande van het uurloon van de middelste van de drie hoogst verlonende functies, het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 35,1%. Vervolgens heeft appellant het primaire besluit van 1 oktober 2001 genomen.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.A.F. Leunisse-Walboomers geen aanleiding gezien tot herziening van de medische grondslag van het primaire besluit. Daarbij heeft zij blijkens haar rapport van 14 januari 2002 onder andere de door de gemachtigde van gedaagde in bezwaar overgelegde informatie van de behandelend internist en van de huisarts, alsmede het verslag van de hoorzitting van 8 januari 2002 betrokken. De arbeidskundige grondslag van dit besluit werd vervolgens onderschreven door de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof, zij het dat hij blijkens zijn rapport van 22 januari 2002 het verlies aan verdiencapaciteit berekende op 35,6%.

Onder verwijzing naar de rapporten van Leunisse-Walboomers en Hulshof handhaafde appellant daarna bij het bestreden besluit het primaire besluit.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij gedaagde niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vervolgens vastgesteld dat appellant bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde heeft betrokken de functies inpakster met fb-code 9717, parkeercontroleur met fb-code 5897 en interieurverzorger met fb-code 5413. De rechtbank heeft voorts aangegeven dat appellant blijkens het Besluit uurloonschatting 1999 (Besluit van 11 februari 1999, Stcrt 1999, 40, hierna te noemen: het BUS) bij het duiden van functies een bandbreedte hanteert, welke er toe leidt dat in het geval van gedaagde functies kunnen worden geduid met een omvang tot en met 31,55 uur per week. Volgens de rechtbank is, voor zover in dit geschil van belang, het beleid van appellant op grond van het BUS aldus dat eerst functies worden geduid met een urenomvang binnen de bandbreedte van de maatman. Levert dit onvoldoende arbeidsplaatsen per functie op, dan worden er binnen de betreffende fb-code functies met een urenomvang hoger dan de bandbreedte bijgeduid en daarna eventueel functies met een urenomvang onder de maatman. Van oordeel zijnde dat appellant gehouden is het in het BUS neergelegde beleid toe te passen, had appellant voor de schatting in dit geval in aanmerking dienen te nemen de hoogst lonende combinatie van drie functies uit de arbeidsmogelijkhedenlijst met een urenomvang binnen de bandbreedte, aangevuld met functies met een urenomvang boven de bandbreedte, hetgeen had geleid tot duiding van de functies verkoper kleding met fb-code 4911, receptionist/telefonist met fb-code 3941 en winkelsurveillant met fb-code 5898. Het verlies aan verdiencapaciteit bij deze wijze van functieduiding is, volgens de rechtbank, 45,2%, hetgeen de rechtbank leidde tot de in rubriek 1 weergegeven beslissing.

In hoger beroep heeft appellant - na weergave van de in dit geschil van belang zijnde artikelen 3, eerste lid, 3, tweede lid, aanhef en onder a, en 4, eerste lid, van het op 1 januari 1998 in werking getreden Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong en de daarmee overeenkomende, vrijwel gelijkluidende artikelen 10, eerste lid, onder a, en 9, aanhef en eerste lid, onder a, van het sedert 26 juli 2000 geldende Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten - onder andere het volgende aangevoerd:

" In de bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999, dat op 1 april 1999 in werking is getreden, wordt nader aangegeven op welke wijze bij de berekening van de verdiencapaciteit rekening wordt gehouden met de urenomvang van de maatman als bedoeld in artikel 3, lid 1, van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong. Daarbij hebben de beleidsmakers niet de bedoeling gehad om af te wijken van het gestelde in artikel 3, lid 2, onderdeel a, van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. Dit uitgangspunt is nimmer verlaten.

Het gevolg van het vorenstaande is dat in de uitvoeringspraktijk de stappen van het BUS door elkaar kunnen gaan lopen. Dit heeft te maken met de wijze waarop in het FIS-systeem (en thans het CBBS-systeem) rekening is gehouden met de arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. Het FIS-systeem genereert de functies in de volgorde van de hoogst te bereiken verdiencapaciteit (inclusief het effect van de reductiefactor)."

Voor het onderhavige geval betekent dit, aldus appellant, dat functieduiding plaatsvond met behulp van achtereenvolgens de stappen 2, 2 en 1, hetgeen er toe leidde dat aan de schatting de drie hoogste loonwaardes ten grondslag zijn gelegd. Daarmee is volgens appellant op de juiste wijze rekening gehouden met zowel artikel 10, eerste lid, onder a, als artikel 9, onderdeel a, van het laatstgenoemde Schattingsbesluit.

Gedaagde heeft in het verweerschrift aangegeven zich niet te kunnen verenigen met de visie van appellant in hoger beroep en heeft ter zake volstaan met een verwijzing naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

De Raad heeft in de eerste plaats geen aanleiding gezien het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde en door de rechtbank onderschreven medische oordeel voor onjuist te houden. De Raad heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat gedaagde in het verweerschrift geen medische argumenten naar voren heeft gebracht en ook niet is ingegaan op het oordeel van de rechtbank ter zake.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad het hiervoor weergegeven betoog van appellant in hoger beroep. Dit betoog ligt vrijwel geheel in lijn met hetgeen namens appellant - uitvoeriger dan thans in hoger beroep - in de zaak 00/4611 op vragen van de Raad na heropening van het onderzoek in die zaak schriftelijk naar voren is gebracht ter beantwoording van die vragen. Die beantwoording is door de Raad in zijn uitspraak in evengenoemde zaak van 21 januari 2003 (USZ 2003,100) letterlijk opgenomen en de Raad heeft daaromtrent als volgt overwogen:

" De Raad is van oordeel dat appellant met de hiervoor weergegeven uitleg omtrent zijn beleid en de toepassing daarvan recht doet aan het in artikel 3, tweede lid aanhef en onder a, van meergenoemd Schattingsbesluit vervatte voorschrift dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid die algemeen geaccepteerde arbeid in aanmerking wordt genomen waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. De Raad voegt daaraan toe dat appellant met een andersluidend (e) beleid (toepassing) in een geval als hier aan de orde in strijd zou zijn gekomen met evenvermelde bepaling van het Schattingsbesluit, nu immers de drie functies die als hoogstbelonend naar voren komen bij selectie volgens (de hoofdvariant van) stap 1 van het BUS niet kunnen worden aangemerkt als de drie hoogstbelonende functies in de zin van evenvermelde bepaling van het Schattingsbesluit en, naar hiervoor is vermeld, tot indeling in een klasse zouden leiden, terwijl niet is kunnen blijken van enig in wet-, regelgeving en/of rechtspraak gelegen aanknopingspunt om ervan uit te gaan dat de thans gebruikte -op uurbasis hoger belonende- functies, gelet op de omvang en het aantal arbeidsplaatsen daarvan, een schattingsresultaat opleveren dat een voldoende realiteitswaarde zou dienen te worden ontzegd of anderszins zou leiden tot een rechtens niet aanvaardbaar te achten uitkomst.

De Raad wil in dit verband, ten slotte, niet nalaten op te merken dat de bewoordingen van het BUS zelf een striktere toepassing van de in acht te nemen stappenvolgorde lijken te suggereren dan kennelijk, blijkens de bovenstaande uitleg van zijn beleid, door appellant is beoogd, juist wordt geacht en in de praktijk wordt gevolgd."

De Raad heeft geen aanleiding gezien om in het onderhavige geding tot een ander oordeel te komen dan in de evengenoemde uitspraak van 21 januari 2003. Dit betekent voor dit geding dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond moet worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij in hoger beroep ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2003.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.D. Streefkerk.

CVG