Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO5241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
01/1303 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering uitkering op goede gronden. Invloed buitenlandse uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/1303 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland, appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. M.W. Kok, advocaat te Tegelen, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 april 2003, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen P. Huiskamp, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 24 september 1996 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 8 augustus 1996 uitkeringen toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Gedaagde heeft daarbij onder verwijzing naar artikel 46 van EG-verordening nr. 1408/71 en artikel 45 van EG-verordening nr. 574/72 aangegeven dat de uitkeringen in de vorm van een voorlopige uitkering zouden worden verleend, omdat niet was uitgesloten dat appellante aanspraak zou kunnen maken op een buitenlandse uitkering die van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Bij besluit van 27 november 1996 heeft de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte (BfA) met ingang van 1 juli 1996 een Rente wegen Erwerbsunfähigkeit (EU-Rente) aan appellante toegekend. Gedaagde is voor het eerst van deze toekenning op de hoogte gesteld door middel van een door appellante ingevuld inlichtingenformulier dat bij gedaagde is ingekomen op 1 september 1997.

Bij besluit van 29 april 1998 heeft gedaagde de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante met ingang van 8 augustus 1996 vastgesteld op een bedrag van fl. 32,43 per dag. Het tegen dit besluit aangetekende bezwaar is bij besluit van 23 juni 1998 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit laatste besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Gedaagde heeft bij brief van 11 mei 1998 aan de BfA verzocht om overmaking van het onverschuldigd betaalde bedrag. De BfA is echter niet tot overmaking van dit bedrag overgegaan.

Bij besluit van 19 augustus 1998 heeft gedaagde vervolgens van appellante een bedrag van fl. 25.871,51 teruggevorderd. Dit is het bedrag dat onverschuldigd is betaald gedurende de periode van 8 augustus 1996 tot en met 28 februari 1998. Gedaagde heeft onder toepassing van de zogenoemde zes maanden-jurisprudentie afgezien van terugvordering van hetgeen na 28 februari 1998 onverschuldigd is betaald. Het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 1998 is bij het bestreden besluit van 17 december 1998 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat appellante haar mededelingsverplichting heeft geschonden, dat het haar na toekenning van de EU-Rente redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij een te hoog bedrag aan uitkering ontving, en dat niet is gebleken van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank achtte hierbij van belang dat gedaagde in zijn besluit van 24 september 1996 uitgebreid aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de eventuele toekenning van een buitenlandse rente, zodat het appellante duidelijk moest zijn dat zij gedaagde onverwijld op de hoogte diende te stellen van de toekenning van deze

rente. Dat gedaagde ook rechtstreeks contacten onderhield met de BfA doet hieraan volgens de rechtbank niet af.

Appellante heeft gesteld in de veronderstelling te hebben verkeerd dat gedaagde zich rechtstreeks tot de BfA zou wenden om informatie met betrekking tot de Duitse rente. Gedaagde zou appellante nooit rechtstreeks hebben benaderd met een verzoek om informatie en appellante nooit van haar mededelingsverplichting op de hoogte hebben gesteld. Ten slotte zou gedaagde bij de berekening van het terug te vorderen bedrag ervan hebben moeten uitgaan op 7 februari 1997 voor het eerst te hebben kennisgenomen van toekenning van een EU-Rente aan appellante.

De Raad overweegt als volgt.

Nu appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen gedaagdes besluit van 23 juni 1998, staat tussen partijen vast dat appellante met ingang van 8 augustus 1996 aanspraak had op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering van fl. 32,43 per dag. Daarmee staat tevens vast dat al hetgeen meer is betaald dan dit bedrag, verhoogd volgens de wettelijke indexeringsregels, onverschuldigd is betaald. Het geding beperkt zich derhalve tot de vraag of gedaagde op goede gronden het gedurende de periode van 8 augustus 1996 tot en met 28 februari 1998 onverschuldigd betaalde bedrag van appellante heeft teruggevorderd.

Op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 36a van de WAO onverschuldigd is betaald, alsmede al hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, van de belanghebbende teruggevorderd. Aan de toepasselijkheid van deze bepaling doet in casu niet af dat gedaagde op grond van artikel 111, eerste lid, van EG-verordening nr. 574/72 bevoegd was de onverschuldigd betaalde voorlopige uitkering in de zin van artikel 45 van EG-verordening nr. 574/72, te verrekenen met de achterstallige Duitse uitkering, en hiertoe ook een (vergeefse) poging in het werk heeft gesteld. Zoals de Raad immers reeds overwoog in zijn uitspraak van 9 juni 1994, RSV 1995/117, sluit artikel 111, eerste lid, van deze verordening terugvordering of verrekening naar het recht van de eigen Lid-Staat niet uit.

De Raad is voorts van oordeel dat de vraag of appellante haar informatieverplichting heeft geschonden en of haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de uitkering haar tot een te hoog bedrag werd verstrekt, in beginsel geen rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of gedaagde op goede gronden tot terugvordering is overgegaan. De stelling van appellante terzake kan wel een rol spelen in het kader van het door gedaagde gehanteerde beleid bij herziening en intrekking van uitkeringen, volgens welk beleid beide elementen van belang zijn bij de beslissing met ingang van welke datum de uitkering dient te worden herzien. Aangezien gedaagdes besluit met betrekking tot de herziening van de uitkering van appellante evenwel rechtens onaantastbaar is geworden, komt de Raad aan de beoordeling van het op dit punt door appellante gestelde niet toe.

De Raad is niet gebleken van gronden om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen. De stelling dat gedaagde op 7 februari 1997 voor het eerst heeft kennisgenomen van toekenning van een EU-Rente aan appellante kan evenmin leiden tot vermindering van het terug te vorderen bedrag. De Raad heeft uit de gedingstukken niet kunnen afleiden dat deze stelling feitelijk juist is. Voorts heeft de Raad reeds eerder overwogen dat de grondslag voor de toepassing van de zogenoemde zes maanden-jurisprudentie, die zich heeft ontwikkeld in het kader van de rechterlijke toetsing van de wijze waarop bestuursorganen tot 1 augustus 1996 van de discretionaire bevoegdheid tot terugvordering gebruik maakten, met ingang van 1 augustus 1996 is komen te vervallen (zie o.a. RSV 2001/270). Gedaagde is op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO verplicht tot terugvordering van al hetgeen na die datum onverschuldigd is betaald. Door om hem moverende redenen de terugvordering te beperken tot hetgeen onverschuldigd is betaald tot zes maanden na 1 september 1997, heeft gedaagde appellante in ieder geval niet tekort gedaan.

Op grond van artikel 57, vierde lid, van de WAO kan gedaagde, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste jurisprudentie kunnen dringende redenen in de zin van deze bepaling slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Van dergelijke gevolgen is de Raad in casu niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.J.B. van der Putten.

RG