Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO5096

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
02/4869 MPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verhoging invaliditeitspensioen ingaande een eerdere datum: met de toepassing van verbeterde methodiek ter bepaling van gehoorsverlies is niet gegeven dat eerdere bepalingen onzorgvuldig zijn geweest, dan wel onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4869 MPW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de op 29 juli 2002, reg. nr. AWB 01/2763 MPWKLA, door de rechtbank 's-Gravenhage gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift doen indienen.

Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 13 november 2003. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.R. van der Meer, wonende te Alphen a/d Rijn, als zijn raadsman. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegen-woordigen door P.J.H. Souren, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.

II. MOTIVERING

In dit geding is aan de orde de toepassing van de Algemene militaire pensioenwet (hierna: de Wet). De Wet is bij het ingevolge de Kaderwet militaire pensioenen gegeven Koninklijk Besluit van 29 mei 2001, Stb. 260, met ingang van 1 juni 2001 ingetrokken. De Raad is evenwel ingevolge overgangsrecht bevoegd van het geding kennis te nemen.

Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen gedaagdes besluit van 26 juni 2001 ongegrond verklaard. Bij genoemd besluit heeft gedaagde na gemaakt bezwaar gehandhaafd het besluit van 16 januari 2001, waarbij de hoogte van het appellant sedert 1 januari 1977 toekomende pensioen te rekenen vanaf 1 januari 1998 is gewijzigd en berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 55%.

Appellant kan zich in hoger beroep verenigen met de voor hem vastgestelde mate van invaliditeit met dienstverband van 55%. Het hoger beroep van appellant is uitsluitend nog gericht tegen de datum met ingang waarvan gedaagde hem het gewijzigde pensioen heeft toegekend. Door appellant is gevorderd dat dit hogere pensioen hem met ingang van 1 januari 1977 wordt toegekend, aangezien de bij hem aanwezige invaliditeit met dienstverband sedert die datum ongewijzigd heeft bestaan, zodat naar de visie van appellant het thans voor hem nader vastgestelde percentage invaliditeit inhoudt dat het ingaande 1 januari 1977 voor hem vastgestelde invaliditeitspercentage niet juist was.

De Raad overweegt als volgt.

Bij besluit van 28 juni 1977 is aan appellant met ingang van 1 januari 1977 een invaliditeitspensioen toegekend, waarbij is vastgesteld dat de gebreken ten aanzien waarvan een verband met de uitoefening van de militaire dienst is aangenomen, te weten de gevolgen van een granaatontploffing, een mate van invaliditeit van 45 % veroorzaken, welk percentage ongewijzigd tot 1 januari 1999 heeft gegolden. In het kader van de termijnbeoordeling heeft nieuw geneeskundig commissoriaal onderzoek plaats gevonden, waarbij is vastgesteld dat de mate van invaliditeit met dienstverband 55 % bedraagt. Bij besluit van 16 januari 2001, zoals gehandhaafd bij het thans in geding zijnde besluit, heeft gedaagde met toepassing van artikel U3, vijfde lid, van de Wet, te rekenen vanaf 1 januari 1998 het pensioen van appellant berekend naar een mate van invaliditeit van

55 %.

Aan de orde is de toepassing van artikel U3, vijfde lid, van de Wet, waarin is bepaald dat een pensioen ingaat op de dag waarop het recht daarop ontstaat met dien verstande dat het niet vroeger ingaat dan een jaar vóór de eerste dag van de maand, waarin het verzoek werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ingangsdatum van het appellant toekomende, naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 55% berekende pensioen met toepassing van dit artikellid terecht is bepaald op 1 januari 1998. De Raad kan dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen geheel onderschrijven. Evenmin als de rechtbank kan de Raad komen tot een gehoudenheid van gedaagde het aan appellant toekomende invaliditeitspensioen ingaande een eerdere datum te verhogen. De Raad overweegt daarbij dat, blijkens de aan het onderhavige besluit ten grondslag liggende medische gegevens, in het geval van appellant bij de bepaling van zijn gehoorschade met dienstverband is gebruik gemaakt van een nieuwe, meer exacte methodiek ter bepaling van het gemiddelde gehoorsverlies, de zogenoemde gemodificeerde Fletcherindex, waarvan eerst sedert 2000 voor de toepassing van de Wet wordt gebruik gemaakt. Met de omstandigheid dat als gevolg van het toepassen van een verbeterde methodiek ter bepaling van gehoorsverlies een hoger invaliditeitspercentage heeft te gelden, is naar het oordeel van de Raad niet gegeven dat alle eerdere bepalingen van dit gehoorsverlies onzorgvuldig zijn geweest, dan wel dat het op basis van deze bepalingen vastgestelde invaliditeitspercentage onjuist moet worden geacht.

De uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.