Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO2862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2003
Datum publicatie
04-02-2004
Zaaknummer
02/694 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie van loon uit dienstbetrekking met ziekengeld.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 31
Ziektewet 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/55
RSV 2004, 96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/694 ZW

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 30 januari 2001 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 21 december 2001 het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met de beslissing dat appellant aan gedaagde de proceskosten en het griffierecht vergoedt.

Appellant heeft op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 12 november 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. van den Os, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.M. Staal, advocaat te Woerden.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak wordt het volgende overzicht van feiten ontleend waarbij appellant is aangeduid als verweerder en gedaagde als eiseres:

"Eiseres werkte tot 26 februari 1993 gedurende 32 uur per week als caissière in de [naam supermarkt] Op die datum heeft zij zich voor haar werk als caissière ziekgemeld, in verband waarmee aan haar ziekengeld is toegekend en (via de werkgever) uitgekeerd. Het dienstverband met [naam supermarkt] is beëindigd op 22 februari 1994. Naast haar werk overdag als caissière werkte eiseres 's avonds gedurende 10 uur per week als leidinggevende voor schoonmaakbedrijf [naam schoonmaakbedrijf]; op 24 augustus 1993 heeft zij zich ook voor dit werk ziekgemeld, in verband waarmee aan haar vanaf 26 augustus 1993 tot 11 oktober 1993 ziekengeld is toegekend en betaald. Omstreeks september 1993 heeft eiseres ontslag genomen uit haar dienstbetrekking bij [naam schoonmaakbedrijf]. Met ingang van 4 oktober 1993 is zij 's avonds gaan werken bij schoonmaakbedrijf GOM, gedurende 22,5 uur per week.

Verweerder heeft zich vervolgens bij brief van 24 augustus 1995 op het standpunt gesteld dat eiseres in strijd met artikel

31 Ziektewet (ZW) méér ziekengeld heeft genoten dan het verschil tussen het dagloon en haar inkomsten uit arbeid. Bij besluit van 2 januari 1996 heeft verweerder het zijns inziens ten onrechte betaalde ten bedrage van fl. 9.006,19 netto teruggevorderd op de grond dat het eiseres redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat aan haar te veel ziekengeld werd uitbetaald.

Eiseres is tegen dit besluit bij deze rechtbank in beroep gegaan. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat hier de wettelijke grondslag voor de door verweerder toegepaste anticumulatie ontbreekt, dat aan het terugvorderingsbesluit geen besluit tot herziening van de eerdere ziekengeldtoekenning vooraf is gegaan en dat het haar redelijkerwijs niet duidelijk heeft hoeven zijn dat zij te veel ziekengeld ontving. Nadat het geding was verwezen naar de meervoudige kamer, heeft de rechtbank bij uitspraak van 11 augustus 1999 het besluit van 2 januari 1996 vernietigd omdat daaraan geen besluit tot herziening van de eerdere ziekengeldtoekenning ten grondslag heeft gelegen."

Appellant heeft vervolgens op 3 februari 2000 een nieuw besluit genomen. In dat besluit wordt in de eerste plaats het ziekengeld op grond van artikel 31 van de Ziektewet met ingang van 4 oktober 1993 gesteld op f 54,66 per dag. In de tweede plaats wordt het over het tijdvak van 4 oktober 1993 tot 22 februari 1994 onverschuldigd betaalde ziekengeld tot een bedrag van f 4.458,14 bruto teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 3 februari 2000 ongegrond verklaard. Appellant overweegt onder meer:

"Op 4 oktober 1993 bent u in dienst getreden bij GOM voor 22,5 uur per week. Over de periode 4 tot 11 oktober 1993 ontving u ZW-uitkering vanuit uw dienstverbanden bij [naam supermarkt] en bij [naam schoonmaakbedrijf] voor totaal 42 uur én loon voor 22,5 uur bij GOM; in voornoemde periode genoot u, ten onrechte, uitkering en inkomsten uit arbeid over 64,5 uur, omdat u ten tijde van de eerste ziekendag immers voor totaal 42 uur werkzaam was. Over de periode 11 oktober 1993 tot

22 februari 1994 genoot u ZW-uitkering vanuit het dienstverband bij [naam supermarkt] en inkomsten uit arbeid bij de GOM; totaal genoot u in voornoemde periode, ten onrechte, uitkering en inkomsten uit arbeid voor 54,5 uur.

De wet maakt geen onderscheid tussen werkzaamheden overdag en 's avonds.

De 42 uur die u voor de eerste ziektedag totaal werkzaam was zijn dus het maximaal aantal uren waarover u inkomsten en/of uitkering dient te ontvangen.

Over de periode 4 tot 11 oktober 1993 heeft u teveel uitkering ontvangen over 22,5 uur per week en over de periode

11 oktober 1993 tot 22 februari 1994 over 12,5 uur per week.

Omdat het aantal uren waarover u inkomsten en uitkering hebt ontvangen beduidend hoger zijn dan de uren waarover u inkomsten ontving voor de eerste ziektedag zijn wij van oordeel dat het u redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat u teveel ziekengeld ontving.

De teveel/ ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 4 oktober 1993 tot 22 februari 1994 vorderen wij van u terug."

Gedaagde heeft in beroep tegen het bestreden besluit het standpunt verdedigd, dat artikel 31 van de Ziektewet geen grond biedt voor korting van het ziekengeld wegens de looninkomsten die zijn voortgevloeid uit de uitbreiding van haar avondwerkzaamheden met 12,5 uur (van 10 naar 22,5 uur).

Daarnaast heeft gedaagde gesteld dat in elk geval het terugvorderingsbedrag moet worden gematigd. Een reden voor matiging is gelegen in het feit dat het een terugvordering betreft van betalingen van voor 1 augustus 1996, dus voor de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid.

Op basis van het voor 1 augustus 1996 geldende recht werd het beleid gehanteerd van de Federatie van Bedrijfs- verenigingen dat bij een terugvordering op de zogenaamde b-grond (" redelijkerwijs duidelijk") wordt gematigd tot de netto uitkering, vermeerderd met bepaalde premies. In bijzondere omstandigheden kan krachtens dit beleid het bedrag van de terugvordering nog verder worden gematigd.

Voor verdere matiging van het bedrag is naar de mening van gedaagde reden wegens de lange afhandelingsduur van de terugvordering.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat zij niet inziet, waarom de ratio van artikel 31, tweede lid, van de Ziektewet mee zou brengen dat een ontwikkeling in een arbeidsloopbaan, die het voorwerp is van een andere ziektewetverzekering, tot anticumulatie zou moeten leiden.

Zij heeft daarom het bestreden besluit vernietigd.

Appellant wijst er in hoger beroep op dat artikel 31 van de Ziektewet bepaalt dat de verzekerde niet meer aan ziekengeld ontvangt dan het bedrag waarmee zijn dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft. Daarbij moet het inkomen dat belanghebbende al verdiende voor hij ziekengeld ontving, buiten beschouwing blijven.

Aan artikel 31 ligt het dervingsbeginsel ten grondslag. Loon dient met het ziekengeld te worden geanticumuleerd, ongeacht of dit loon voortvloeit uit de dienstbetrekking die de basis vormt voor het te anticumuleren ziekengeld, dan wel uit een andere dienstbetrekking.

De Raad stemt in met de zienswijze van appellant. Uit tekst en strekking van artikel 31 van de Ziektewet vloeit voort dat loon, ongeacht uit welke dienstbetrekking het voortvloeit, moet worden geanticumuleerd met het ziekengeld.

De berekening van de korting van het ziekengeld op grond van artikel 31van de Ziektewet is niet aangevochten.

De rechtbank heeft dan ook ten onrechte de in het bestreden besluit vervatte herzieningsbeslissing vernietigd.

Ter zake van de terugvorderingsbeslissing wordt overwogen dat ter zitting van de Raad de gemachtigde van appellant heeft verklaard dat er redenen zijn voor matiging van de terugvordering.

De Raad is eveneens van oordeel dat er op de door gedaagde aangevoerde gronden redenen zijn voor matiging van de terugvordering. De Raad voegt hieraan toe dat hem het standpunt dat gematigd zou moeten worden tot de helft van het terugvorderingsbedrag niet onredelijk lijkt. De in het bestreden besluit vervatte terugvorderingsbeslissing kan derhalve geen stand houden.

De beslissing van de rechtbank tot vernietiging van het bestreden besluit dient daarom in stand te blijven. De aangevallen uitspraak komt op andere gronden voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 322,-.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar zal nemen met inachtneming van 's Raads uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde ad € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 327,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.