Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO2144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
22-01-2004
Zaaknummer
02/3934 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen uitstel voor aanvullen gronden van het bezwaar. Toepassing Reglemen behandeling bezwaarschriften Tica 2001 (Reglement 2001): Is het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:81
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3934 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 5 juli 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 oktober 2003, waar appellante is verschenen bij gemachtigde P.J. Reeser, voornoemd, en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.J.A. Bos, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 22 november 2000 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat zij recht heeft op overname van de loonbetaling, bestaande uit een vergoeding voor vijf vakantiedagen, alsmede een bedrag van € 1.018,30 (f 2.244,03), te vergoeden aan het vakantiefonds.

Mr. J.J. Boogaart, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, heeft namens appellante tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 29 december 2000, welk bezwaarschrift geen gronden bevat. Mr. Boogaart heeft daarbij verzocht om hem de aan dat besluit ten grondslag liggende stukken toe te zenden en heeft voorts aangegeven dat hij daarna te zijner tijd de gronden van het bezwaar verder zal aanvoeren.

Bij brief van 9 januari 2001 heeft gedaagde de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en aangegeven dat binnen afzienbare tijd zal worden bericht over de verdere behandeling.

Bij brief van 5 februari 2001 heeft gedaagde de gevraagde stukken aan mr. Boogaart toegezonden en verzocht om de gronden van het bezwaar binnen vier weken na dagtekening van die brief aan hem kenbaar te maken. Hij heeft er daarbij op gewezen dat het niet voldoen aan de eisen van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot gevolg kan hebben dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Mr. Boogaart heeft bij brief van 2 maart 2001, op diezelfde dag per fax verzonden, verzocht om vier weken uitstel voor het aanvullen van de gronden van bezwaar.

Bij brief van 19 maart 2001 heeft gedaagde meegedeeld dat niet wordt voldaan aan het verzoek om nader uitstel van vier weken. Bij besluit van dezelfde datum (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 november 2000 niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de bij brief van 5 februari 2001 gestelde termijn van vier weken de gronden van het bezwaar kenbaar zijn gemaakt.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat het Reglement behandeling bezwaarschriften Tica 2001 (Reglement 2001) op 1 januari 2001 in werking is getreden en, nu niet in overgangsrecht is voorzien, dient te worden toegepast op de feiten die zich vanaf het moment van inwerkingtreding voordoen. Nu de brief van gedaagde, waarin wordt verzocht de gronden van het bezwaar binnen vier weken kenbaar te maken, dateert van 5 februari 2001 is terecht toepassing gegeven aan het Reglement 2001. Voorts heeft zij overwogen dat gedaagde, gelet op het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb en op artikel 5 van het Reglement 2001, van de bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet indienen van de gronden binnen de gegeven uitsteltermijn gebruik heeft kunnen maken, waarbij zij er nog op heeft gewezen dat het uitstelverzoek zeer laat is gedaan en zonder enige toelichting met betrekking tot de redenen voor dat verzoek.

Voor de Raad ligt de vraag ter beantwoording voor of gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 november 2000 op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep wederom aangevoerd dat gedaagde bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het beleid, neergelegd in het Reglement 2001. Gedaagde heeft, zo is namens appellante betoogd, in redelijkheid in de voorliggende zaak geen toepassing kunnen geven aan het Reglement 2001. Voorts is namens appellante aangevoerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 7:3 van de Awb en is opgemerkt dat het bestreden besluit in strijd is met de te stellen vereisten van zorgvuldige voorbereiding en totstandkoming van besluiten.

Gedaagde heeft zich in verweer beperkt tot de mededeling dat hij zich kan verenigen met de aangevallen uitspraak.

De Raad beantwoordt de hierboven geformuleerde vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend en hij overweegt daartoe als volgt.

Uit artikel 6:6 van de Awb volgt dat gedaagde bevoegd is om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren als niet is voldaan aan - onder meer - het vereiste dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat, zij het dat de indiener van het bezwaarschrift de gelegenheid moet hebben gehad om het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen. Gedaagde past met betrekking tot die bevoegdheid beleid toe.

Bedoeld beleid is neergelegd in het Reglement 2001, dat op 1 januari 2001 in werking is getreden. In artikel 28 van het Reglement 2001 is bepaald dat het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998 wordt ingetrokken. Het Reglement 2001 is op 6 februari 2001 gepubliceerd in de Staatscourant, 2000, nr. 26. In de Lisv-Mededeling M2000.137 van 19 december 2000 is uitdrukkelijk aangegeven dat de termijnen in het Reglement 2001 zijn aangescherpt waartoe onder meer de standaardmogelijkheid van verlengingen is komen te vervallen.

Artikel 5 van het Reglement 2001 luidt als volgt:

"Artikel 5 vormverzuim

1. Als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de wet of aan enig ander wettelijk vereiste, wordt de indiener in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

2. Bij overschrijding van deze termijn, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard."

Artikel 5 van het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998 luidde als volgt:

"Artikel 5 vormverzuimen

1. Als niet is voldaan aan artikel 6:5 van de wet of aan enig ander wettelijk vereiste, wordt de indiener in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dienaangaande.

2. De in het eerste lid bedoelde termijn kan de uitvoeringsinstelling eenmaal op verzoek van de indiener van het bezwaarschrift verlengen met ten hoogste vier weken.

3. Als het verzuim na afloop van de in het eerste of het tweede lid gestelde termijn niet is hersteld, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard."

Uit de tekst van de beide reglementen, de tekst van de Lisv-Mededeling M2000.137, alsmede de ter zitting van de Raad van 8 oktober 2003 door de gemachtigde van gedaagde gegeven toelichting, blijkt dat gedaagde het beleid met betrekking tot het verlenen van uitstel heeft gewijzigd met de inwerkingtreding van het Reglement 2001. Onder de werking van het vóór die datum geldende beleid werd een tweede verzoek om uitstel - zoals namens appellante is gedaan bij schrijven van 2 maart 2001 - in beginsel gehonoreerd, terwijl een dergelijk verzoek onder het regime van het Reglement 2001 in beginsel niet wordt gehonoreerd.

Met appellante is de Raad van oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit, met toepassing van artikel 5 van het Reglement 2001, ten onrechte het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij overweegt daartoe dat het Reglement 2001 pas op 6 februari 2001 is gepubliceerd en derhalve, nu het niet eerder naar buiten kenbaar is gemaakt, niet in het voorliggende geval tegenover appellante kan worden gehanteerd. De Raad is van oordeel dat, nu de termijn waarvan bij schrijven van 2 maart 2001 verlenging is verzocht, is gesteld bij brief van 5 februari 2001, op de gestelde termijn niet het beleid, neergelegd in het Reglement 2001, van toepassing is te achten maar het voordien geldende beleid, neergelegd in het Reglement behandeling bezwaarschriften Lisv 1998. De bewoordingen van de brief van 5 februari 2001 zijn, in overeenstemming met dat voordien geldende beleid. Ter zitting van de Raad is namens gedaagde nog aangegeven dat na de bekendmaking van het Reglement 2001 ook de formulering van de brief waarbij, onder toepassing van artikel 5 van dat reglement, een termijn van vier weken voor het indienen van de gronden wordt gegeven, is aangepast, in die zin dat uitdrukkelijk wordt vermeld dat een verzoek om verdere verlenging van de termijn niet zal worden gehonoreerd.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, behoeft, gelet hierop, geen verdere bespreking.

De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante, welke zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt gedaagde op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 109,81 (f 60,-- en f 182,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. H.G. Rottier en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003.

(get.) H. Bolt

(get) P. Boer