Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO2037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2003
Datum publicatie
28-01-2004
Zaaknummer
01/1491 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2001:AE3930
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaald wachtgeld. In bezwaarfase overschrijding redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gevolgen overschrijding redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Rijkswachtgeldbesluit 1959 8
Rijkswachtgeldbesluit 1959 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1491 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 januari 2001, nr. 99/358 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. A.J. Louter, advocaat te Enschede, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant nadere stukken ingezonden en nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 maart 2003, waar voor appellant is verschenen mr. G.J. Wubs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Louter, voornoemd.

Na de behandeling van het geding ter zitting is het onderzoek heropend.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 15 juli 1987 is aan gedaagde ter zake van zijn ontslag per 1 oktober 1986 wachtgeld toegekend voor de periode van 1 oktober 1986 tot 1 oktober 1991. Op het door hem daartoe op 18 augustus 1986 ingevulde aanvraagformulier heeft hij aangegeven als zelfstandig automonteur bijverdiensten te hebben, welke verdiensten in de jaren 1986 en 1987, blijkens de brief van appellant van 21 augustus 1989, geen aanleiding gaven tot verrekening daarvan met het in die jaren verstrekte wachtgeld.

1.2. Appellant heeft bij brief, verzonden op 8 december 1992, aan gedaagde verzocht de inkomsten als automonteur over de kalenderjaren 1988 tot en met 1991 zo spoedig mogelijk te overleggen teneinde te kunnen beoordelen of deze inkomsten aanleiding gaven tot verrekening daarvan met het verstrekte wachtgeld. Bij brief, verzonden op 31 maart 1993, heeft appellant dit verzoek herhaald.

1.3. Nadat aan appellant, na ontvangst van deze gegevens, was gebleken dat de inkomsten van gedaagde in de jaren 1989 tot en met 1991 wel aanleiding gaven tot verrekening is appellant er, bij besluit van 11 november 1993, toe overgegaan het teveel betaalde wachtgeld - in totaal f 63.029,58 - over die jaren terug te vorderen.

1.4. Tegen dit besluit is door gedaagde bij brieven van 16 november 1993 en 24 januari 1994 bezwaar gemaakt, waarop door appellant is gereageerd met respectievelijk een brief van 30 december 1993 (waarin appellant nadere uitleg verschaft over de vigerende regelgeving en aanbiedt een betalingsregeling te treffen) en 15 maart 1994 (waarin nogmaals uitleg wordt verschaft over de regelgeving ter zake en een concreet afbetalingsvoorstel wordt gedaan).

1.5. Vervolgens heeft appellant, ter inning van het aan gedaagde onverschuldigd betaalde wachtgeld, bij brieven van 13 november 1996 en 13 december 1996 aanmaningen verzonden en in februari 1997 een incassobureau ingeschakeld.

1.6. Bij brief van 10 september 1997 heeft appellant het incassobureau meegedeeld dat de brief van gedaagde van 16 november 1993 destijds ten onrechte niet is opgevat als een bezwaarschrift tegen het besluit van 11 november 1993 en dat er in verband daarmee alsnog een bezwaarprocedure zou worden opgestart.

1.7. Bij besluit van 25 februari 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 11 november 1993 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, overwegende - samengevat - dat aan het terugvorderingsbesluit ten onrechte geen kortingsbesluit ten grondslag was gelegd, zodat niet is komen vast te staan dat er onverschuldigd wachtgeld aan gedaagde was betaald met als gevolg dat er (nog) geen bevoegdheid tot terugvordering bestond.

2.2. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Voorts heeft zij ten overvloede onder andere overwogen dat appellant bij het nemen van een nieuw besluit acht zal dienen te slaan op de vraag of gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nog wel onverkort kan worden vastgehouden aan het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de terugvorderingsgrond wel is vervat in het bestreden besluit, nu daarin immers verwezen is naar de artikelen 8 en 9 van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb), waarin is bepaald respectievelijk dat inkomsten uit bedrijf verrekend dienen te worden met het uitgekeerd wachtgeld en dat de betrokken (gewezen) ambtenaar verplicht is terstond mededeling te doen van enige arbeid of bedrijf onder opgave van de inkomsten die betrokkene daaruit verwerft.

3.2. Voorts heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat het tijdsverloop tussen het bezwaarschrift en het bestreden besluit ook en zelfs in overwegende mate aan gedaagde te wijten is, daar deze niet (eerder) heeft gereageerd op de brief van appellant van 24 januari 1993.

3.3. Ten slotte stelt appellant dat er onmiskenbaar sprake is van door toedoen van gedaagde onverschuldigd betaald wachtgeld, daar hij immers de informatieformulieren in de periode 1989 tot en met 1991 onjuist en in strijd met de waarheid heeft ingevuld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan de rechtbank niet volgen in haar oordeel dat de terugvorderings-beslissing ten onrechte een grondslag als door haar bedoeld ontbeert. Al in het besluit van 11 november 1993 wordt immers verwezen naar artikel 8, eerste lid, van het Rwb en in het bestreden besluit worden de artikelen 8 en 9 van het Rwb vermeld. Deze vermelding impliceert de beslissing tot verrekening in verband met het niet voldaan hebben aan de aangifteplicht. Dit resulteert in de vaststelling dat onverschuldigd is betaald.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (CRvB 24 februari 2000, TAR 2000, 50) is een bestuursorgaan als appellant op grond van het algemeen rechtsbeginsel, dat hetgeen onverschuldigd is betaald kan worden teruggevorderd, bevoegd om tot terugvordering van het teveel betaalde wachtgeld over te gaan, tenzij andere algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten. In een situatie waarin de (gewezen) ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, kan een bestuursorgaan in beginsel hetgeen aan betrokkene onverschuldigd is betaald gedurende twee jaren na de dag van uitbetaling terugvorderen. Deze termijn kan tot vijf jaren worden verlengd indien de gemaakte fout door toedoen van betrokkene is ontstaan.

4.3. Het feit dat door appellant in de desbetreffende periode aan gedaagde onverschuldigd wachtgeld is betaald wordt door gedaagde in wezen niet betwist. Ook zijn namens gedaagde geen argumenten naar voren gebracht waaruit blijkt dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag onjuist is.

Voorts merkt de Raad op dat ingevolge zijn vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 april 2001, TAR 2001, 91) voor de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering niet vereist is dat sprake is van opzet of kwade trouw van de (gewezen) ambtenaar, doch slechts dat onjuiste inlichtingen zijn verstrekt c.q. dat er sprake is van 'toedoen' in die zin dat hem dat kan worden aangerekend. Gedaagde heeft niet betwist dat hij in de periode hier in geding een onjuist (want veel te laag) bedrag aan maandelijkse inkomsten heeft vermeld op de informatieformulieren. Hij stelt slechts - kort gezegd - dat hij meende niet verplicht te zijn een ander bedrag op te geven.

Evenals de rechtbank kan de Raad gedaagde daarin niet volgen, gezien de brieven van appellant waarin gevraagd wordt om gedaagdes inkomensgegevens en in het bijzonder de brief van appellant van 21 augustus 1989 vermeld in 1.1.

4.4. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant de bevoegdheid toekomt over te gaan tot terugvordering van het door toedoen van gedaagde in de periode 1989 tot en met 1991 onverschuldigd betaalde wachtgeld, zodat uitsluitend nog de vraag voorligt of het terugvorderingsbesluit wegens strijd overigens met regels van geschreven of ongeschreven recht in rechte niet houdbaar is.

4.5. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend nu de Raad tot het oordeel heeft moeten komen dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in het onderhavige geval is geschonden. Daartoe merkt de Raad op dat gedaagdes bezwaarschrift dateert van

16 november 1993; pas op 25 februari 1999 heeft appellant gedaagde het besluit op bezwaar gezonden.

4.6 Het bestreden besluit kan daarom de toetsing van de Raad niet doorstaan. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd op de in 4.5. vermelde grond.

4.7. Nu partijen hun standpunt over het geschil dat hen verdeeld houdt, in bezwaar, in beroep en in hoger beroep uitgebreid naar voren hebben gebracht alsmede in aanmerking genomen dat de, reeds de grenzen van een redelijke termijn te buiten gegane, procedure nog verder verlengd zou worden als appellant zou worden opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen, zal de Raad het geschil finaal beslechten.

4.8. De Raad stelt dan vast dat gedaagde de bedragen aan ten onrechte genoten wachtgelduitkering -vanaf 1989 oplopend tot eind 1991 een bedrag van in het totaal

f 63.029,58- gedurende de gehele hier aan de orde zijnde periode van 1989 tot in ieder geval de datum van de aangevallen uitspraak 25 januari 2001 onder zich heeft gehouden en bedrijfsmatig heeft aangewend. Daardoor heeft gedaagde aanmerkelijk voordeel genoten van hetgeen appellant hem door zijn, gedaagdes, toedoen onverschuldigd heeft betaald. Onder deze omstandigheden acht de Raad de geconstateerde verdragsschending voldoende gecompenseerd met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM en door de vernietiging van het bestreden besluit die geacht moet worden op deze grond te zijn geschied.

5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand moeten blijven.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand en € 30,10 aan reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 februari 1999 geheel in stand blijven;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 674,10, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 348,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 december 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

30.12