Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
03/1672 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belanghebbende indien tijdelijk in Nederland als militair gelegerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1672 AOR

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Californië (USA), appellant,

en

het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op bij beroepschrift van 10 februari 2003, aangevuld bij schrijven van 24 maart 2003, uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 22 januari 2003, nummer AWB 02/1248. Bij die uitspraak is het beroep dat appellant had ingesteld tegen een besluit van gedaagde van 26 februari 2002, ongegrond verklaard.

Namens gedaagde is door mr. S. Verhage, advocaat te 's-Gravenhage, een verweerschrift - met bijlagen - ingediend.

Appellant heeft vervolgens zijn reactie op dit verweerschrift gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 oktober 2003. Aldaar is appellant met voorafgaand bericht niet verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Verhage voornoemd.

II. MOTIVERING

Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.

Ter uitvoering van het besluit van de Nederlandse regering om ten behoeve van de Joodse Gemeenschap een bedrag ter beschikking te stellen als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en daarmee uitdrukkelijk finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat gehad heeft voor hun verdere bestaan, is op 4 december 2000 (i.w.t. 8 januari 2001) door gedaagde tot stand gebracht het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid (Stcrt. 8 januari 2001, nr. 5).

Ingevolge artikel 2 van dit Uitkeringsreglement worden als belanghebbenden in de zin van dit reglement beschouwd:

a. de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945 uit tenminste één Joodse ouder en twee Joodse grootouders aan de kant van de betreffende ouder, alsmede

b. de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945, die wegens hun Joods zijn in of vanuit Nederland zijn vervolgd dan wel beroofd,

voor zover deze onder a) en b) bedoelde personen gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog enige tijd woonplaats binnen het Koninkrijk in Nederland hadden en op 8 mei 1945 nog in leven waren.

Gedaagde heeft de aanvraag van appellant van februari 2001 om een uitkering als rechtstreeks belanghebbende ingevolge het Reglement afgewezen bij besluit van 25 oktober 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 februari 2002. Daartoe is overwogen - samengevat - dat appellant niet voldoet aan het vereiste van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945 enige tijd woonplaats te hebben gehad in het Koninkrijk in Nederland. Voorts is, onder meer, overwogen dat het in strijd met de doelstelling van het reglement zou zijn in het uitkeringsbeleid óók personen te betrekken die in de Tweede Wereldoorlog woonplaats buiten Nederland hadden. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in het buitenland woonachtige personen worden immers verondersteld, aldus gedaagde, geen bezittingen te hebben verloren in Nederland en derhalve niet te zijn geconfronteerd met tekortkomingen in het rechtsherstel door de Nederlandse autoriteiten.

In hoger beroep heeft appellant evenals in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat uit de brief van het Defensie archieven-, registratie- en informatiecentrum van 7 december 2001 en het uittreksel van de dienstregistratie met betrekking tot appellant blijkt dat hij wel degelijk woonachtig is geweest in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Appellant is in de periode van 21 november 1944 tot 18 september 1945 als militair van de Koninklijke brigade "Prinses Irene"in Nederland gelegerd geweest. Zijn terugkeer naar de Verenigde Staten berustte niet op eigen keuze maar was verordonneerd door de militaire autoriteiten.

Voorts wordt er volgens appellant ten onrechte aan voorbij gegaan dat familieleden van hem hun leven en bezittingen hebben verloren door toedoen van de bezetter.

De Raad ziet, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, in deze grieven geen grond om het bestreden besluit aan te tasten. Met de hiertoe door de rechtbank gehanteerde overwegingen kan de Raad zich geheel verenigen.

Met name heeft ook de Raad noch in de stukken betreffende de totstandkoming van het besluit van de Nederlandse regering tot rechtsherstel - waaronder in het bijzonder de brief terzake van de Minister-President aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 maart 2000 (kamerstukken II, 1999-2000, 25839, nr. 13) - noch in andere gegevens aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de in het Reglement en de toelichting daarop neergelegde doelgroepomschrijving in strijd is met hetgeen de regering bij haar besluitvorming voor ogen stond dan wel dat anderszins de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten is gegaan.

De voorwaarde van woonplaats in Nederland te hebben gehad veronderstelt, zoals in de toelichting op artikel 2 van het Reglement is aangegeven, een zekere permanentie, in die zin dat men in Nederland gevestigd moet zijn geweest. Kortstondig verblijf, bijvoorbeeld op doortocht, geeft geen aanspraak op een uitkering. Buiten de verdeling (van het ter beschikking gestelde bedrag) vallen, aldus de toelichting, diegenen die vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog uit Nederland gevlucht zijn, dan wel zich op dat moment om andere redenen - blijvend - in het buitenland bevonden. Deze groep was - in zijn algemeenheid - in de gelegenheid om bewijsmateriaal voor het bezit van verzekerings-polissen, bankrekeningen etc. mee te nemen naar het buitenland. Op grond van deze bewijsstukken kon na de oorlog het rechtsherstel plaatsvinden.

De Raad is van oordeel dat van vestiging in Nederland eerst sprake is indien men in Nederland zijn hoofdverblijf heeft, dat wil in het algemeen zeggen dat men hier met zijn gezin leeft en dat hier het centrum van zijn sociale en zakelijke activiteiten gelegen is. Het tijdelijk in Nederland als militair gelegerd zijn voldoet niet aan dat criterium.

Voorts komt uit hetgeen appellant aanvoert naar voren dat familieleden van hem zijn omgebracht, dat gelden van zijn vader, bestemd voor zijn stiefmoeder, zijn onteigend en dat zijn ouderlijk huis in 's-Gravenhage is beschadigd, maar niet dat appellant zelf bezittingen heeft verloren, zodat de veronderstelling die aan het beleid ten grondslag ligt, dat iemand die tijdens de Tweede Wereldoorlog buiten Nederland woonplaats had wordt verondersteld geen bezittingen te hebben verloren, in het geval van appellant juist is.

Gedaagde heeft zich mitsdien terecht op het standpunt gesteld dat appellant niet als belanghebbende in de zin van artikel 2 van het Uitkeringsreglement kan worden aangemerkt.

Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagde niet in redelijkheid tot weigering van de gevraagde uitkering heeft kunnen komen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) E. Heemsbergen.