Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
02/394 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ongeval tijdens vlucht na verplichte tewerkstelling. Is sprake van een calamiteit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/394 WUBO

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 30 november 2001, kenmerk JZ/I/2001/816, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

Tegen dit besluit heeft eiser op de in een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn schoonzoon [naam schoonzoon], wonende te [woonplaats]. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Aangezien de Raad na deze behandeling van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft hij het onderzoek heropend en verweerster nog nadere vragen gesteld.

Verweerster heeft deze vragen bij brieven van 6 en 28 mei 2003 beantwoord.

Het geding is vervolgens opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 25 september 2003, waar eiser wederom in persoon is verschenen, bijgestaan door [naam schoonzoon] voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, die in 1927 is geboren, in februari 2000 bij verweerster een verzoek ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogs-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering dan wel een toeslag krachtens de Wet.

Eiser heeft die aanvraag gebaseerd op psychische en lichamelijke klachten, die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de tweede wereldoorlog te Rotterdam en zijn verplichte tewerkstelling te Chemnitz in Duitsland.

Verweerster heeft eiser bij besluit van 21 december 2000, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet en hem met ingang van 1 februari 2000 de toeslag verleend als bedoeld in artikel 19 van de Wet, omdat uit medisch onderzoek is gebleken dat er bij eiser sprake is van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld.

Het verzoek van eiser om een periodieke uitkering heeft verweerster bij het bestreden besluit evenwel afgewezen op de grond dat eiser zijn werkzaamheden in 1978 niet heeft verminderd in verband met zijn psychisch oorlogsletsel maar in verband met knieklach-ten en cara en dat hij ook in 1994 en 1999 zijn werkzaamheden niet heeft verminderd of beƫindigd in verband met zijn psychisch oorlogsletsel, maar respectievelijk vanwege een rughernia en in verband met zakelijke problemen en blaasklachten. Verweerster stelt zich op het standpunt dat de lichamelijke klachten van eiser geen verband houden met zijn oorlogservaringen.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de knieklachten en caraklachten van eiser, waardoor hij in 1978 zijn werkzaamheden heeft moeten verminderen, het gevolg kunnen worden geacht van de door verweerster als oorlogscalamiteit in de zin van artikel 2 van de Wet aanvaarde gebeurtenissen, met name de verplichte tewerkstelling van eiser in Duitsland.

Met betrekking tot de caraklachten van eiser zijn de geneeskundig adviseurs van verweerster van mening dat deze als een constitutionele longaandoening moeten worden beschouwd en derhalve niet als "causaal" kunnen worden aanvaard.

De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanwijzingen voor de onjuistheid van dat standpunt gevonden. Verweerster heeft dan ook terecht geoordeeld dat de in geding zijnde werkvermindering in zoverre niet aan de verplichte tewerkstelling van eiser te relateren is.

Ten aanzien van eisers knieklachten overweegt de Raad het volgende.

Als relaas van eiser is in het naar aanleiding van zijn aanvraag opgestelde sociaal rapport aangetekend dat hij eind 1944 in (de omgeving van) Chemnitz als bankwerker bij een autofabriek is tewerkgesteld tot begin april 1945 de Amerikanen kwamen. Met een groep Nederlanders wist hij toen te vluchten, aldus eiser. Zij hebben tien dagen gelopen van plaatsje tot plaatsje. Het was een zware tocht tijdens welke eiser bij Gotha in een put of greppel is gevallen waarbij hij zijn linkerknie beschadigd heeft. Hij is daarmee door-gelopen zonder medische behandeling. In Gotha zijn zij door de Amerikanen in een opvangkamp ondergebracht.

In haar brief aan de Raad van 6 mei 2003 heeft verweerster te kennen gegeven dat haar geneeskundig adviseur het, gezien de in 1966 bij eiser gestelde diagnose van gonarthrose links, de meniscuslaesie en de hiermee in verband staande operaties, aannemelijk acht dat er een verband zou kunnen bestaan met een kwetsuur aan de knie voorafgaande aan de meniscuslaesie/gonarthrose. Verweerster is voorts van oordeel dat een ongeval zoals eiser heeft meegemaakt als calamiteit zou kunnen worden aanvaard, indien er een verband bestaat tussen het ongeval en de verplichte tewerkstelling. Verweerster acht echter de enkele omstandigheid dat eiser het ongeval in Duitsland meemaakte, waar hij als gevolg van een tegen hem gerichte maatregel van de bezettende macht verbleef, op zich niet voldoende om deze als verband houdend met de tewerkstelling te beschouwen.

Verweerster stelt zich dan ook thans primair op het standpunt dat de knieklachten van eiser, voor zover die moeten worden toegeschreven aan zijn val, niet gezien kunnen worden als verband houdend met een calamiteit in de zin van de Wet.

De Raad kan zich met dit standpunt verenigen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet moet het gaan om letsel opgelopen bij met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden dan wel om letsel opgelopen door of in verband met handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende machten tegen de betrokkene werden gericht.

Verweerster neemt in een geval als dat van eiser een oorzakelijk verband met maatregelen of handelingen van de bezettende macht aan indien er sprake is van een bedrijfsongeval tijdens de verplichte tewerkstelling en ook bij ongevallen die tijdens de periode van de verplichte tewerkstelling hebben plaatsgevonden buiten het kader van de opgedragen werkzaamheden. De Raad heeft deze gedragslijn in vaste jurisprudentie in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2 van de Wet geacht.

In het geval van eiser heeft het ongeval zoals door hem omschreven zich niet tijdens de periode van de verplichte tewerkstelling voorgedaan, maar nadat de verplichte tewerkstelling reeds ten einde was gekomen door het oprukken van de Amerikanen.

De Raad heeft voorts nog bezien of een directe relatie van het ongeval met feitelijke krijgsverrichtingen zou kunnen worden gelegd, maar de Raad heeft daartoe in het relaas van eiser ook geen aanwijzingen gevonden.

Noch met verplichte tewerkstelling noch met krijgsverrichtingen acht de Raad derhalve voldoende direct verband aanwezig om te kunnen spreken van een calamiteit als bedoeld in artikel 2 van de Wet. Evenals verweerster acht de Raad voor het aanvaarden van het door de Wet vereiste causaal verband onvoldoende de omstandigheid dat het in geding zijnde ongeval niet zou hebben plaats gevonden, indien eiser niet verplicht tewerk was gesteld in Duitsland.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

13.10