Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
02/961 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging boete in verband met herstel uit eigen beweging.

Wetsverwijzingen
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/961 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, alsmede de rechtsvoorganger van het Lisv de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.

Namens appellant is mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op bij beroepschrift aangevoerde gronden, in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam onder dagtekening 25 januari 2002 gewezen uitspraak, nummer WAO 01/1157-GERR, waarnaar hierbij zij verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 september 2003 heeft gedaagde een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 oktober 2003, waar appellant niet is verschenen, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

Aan appellant is bij besluit van 11 december 1992 ingaande 2 september 1992 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 %. Na indiensttreding bij het Sociaal Werkvoorzieningschap [naam werkvoorzieningschap] is bij besluit van 8 september 1995 per

1 september 1995 appellants uitkering uitbetaald naar een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant is vanaf 1 maart 2000 vanuit het Werkvoorzieningschap gedetacheerd bij de Nieuwe Unie. Vervolgens is appellant met ingang van 1 juli 2000 bij de Nieuwe Unie in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar.

Gedaagde heeft aan appellant een inlichtingenformulier doen toekomen gedagtekend 8 september 2000. Daarop wordt verzocht het formulier ingevuld vóór 10 oktober 2000 aan gedaagde te retourneren. Onder dagtekening 26 september 2000, ingekomen bij gedaagde op 3 oktober 2000, heeft appellant de gevraagde inlichtingen verstrekt, waarbij tevens melding is gemaakt van de wijzigingen per 1 juli 2000. Bijgevoegd zijn gegevens omtrent zijn dienstbetrekking bij de Nieuwe Unie, waaronder een salarisspecificatie.

Bij besluit van 23 november 2000 heeft gedaagde appellants uitkering gedeeltelijk, voorzover deze meer bedraagt dan evenredig is aan een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, geschorst. Aangekondigd wordt dat eventueel onverschuldigd betaalde uitkering wordt teruggevorderd. Bij besluit van 5 januari 2001 is appellants uitkering met ingang van 1 juli 2000 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij brief van 6 februari 2001 heeft gedaagde aan appellant het voornemen tot oplegging van een boete ter hoogte van f 198,47 kenbaar gemaakt in verband met schending door appellant van zijn mededelingsverplichting.

Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde van appellant een bedrag van f 1.984,69 teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering. Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende brief van 20 februari 2001 is tussen gedaagde en appellant overeengekomen dat dit bedrag zal worden verrekend met appellants uitkering.

Bij besluit van 26 februari 2001 heeft gedaagde aan appellant een boete van f 200,- opgelegd. Aangegeven wordt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door het dienstverband per 1 juli 2000 niet tijdig aan gedaagde door te geven.

Appellant heeft tegen de terugvordering en de boeteoplegging bezwaar gemaakt. Aangevoerd wordt dat appellant in april 2000 contact heeft opgenomen met gedaagde om de arbeidsovereenkomst te melden. Daarbij is verzocht om informatie over de, eventuele, gevolgen voor appellants uitkering van zijn nieuwe baan. Bij het uitblijven van een antwoord is in juni 2000 door appellant wederom contact met gedaagde opgenomen. Ook door appellants werkgever is contact gezocht met gedaagde. Uiteindelijk is aan appellant door een medewerker van gedaagde verklaard dat appellants nieuwe baan geen gevolgen zou hebben voor zijn uitkering, nu het in casu ging om een arbeidsovereenkomst voor één jaar. In dezelfde periode heeft appellant het inlichtingenformulier ontvangen, dat vervolgens, ingevuld, is geretourneerd. Geconcludeerd wordt dat in de geschetste omstandigheden de terugvordering en de boeteoplegging niet redelijk zijn. Appellant heeft nooit verzuimd veranderingen in werk of loon te melden.

Bij besluit van 23 mei 2001 -het bestreden besluit- heeft gedaagde het bezwaar gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard. Met betrekking tot de terugvordering wordt opgemerkt dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot indeling van appellant met ingang van 1 juli 2000 in de arbeidsongeschikt-heidsklasse 15 tot 25%. Gedaagde is derhalve verplicht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering. In hetgeen door appellant is aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen om van terugvordering af te zien.

Met betrekking tot de boeteoplegging wordt appellants beroep op het ontbreken van, dan wel op de aanwezigheid van verminderde, verwijtbaarheid verworpen. Nu van appellants gestelde contacten met gedaagde geen aantekening is terug te vinden kan aan dit argument geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Desalniettemin wordt de hoogte van de boete verminderd tot f 125,-. Aanleiding hiervoor is het feit dat gedaagde, na ontvangst van het inlichtingenformulier verzuimd heeft tot onmiddellijke schorsing over te gaan. Daardoor dient het benadelingbedrag gesteld te worden op f 1168,62, wat, afgerond, leidt tot een boete van f 125,-.

Tijdens de zitting bij de rechtbank, waar appellant niet is verschenen, is namens gedaagde verklaard dat appellant in het verleden al eerder meer is gaan verdienen. Hij was derhalve op de hoogte van de gang van zaken. Opgemerkt is verder dat van telefoongesprekken altijd notities worden gemaakt.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe onder meer overwogen (waarbij appellant als eiser, en gedaagde als verweerder is aangemerkt):

" Van dringende redenen welke verweerder hadden moeten nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de rechtbank niet gebleken. Nog daargelaten of zulks als een dringende reden als hiervoor bedoeld kan worden aangemerkt, heeft eiser zijn stelling dat hij reeds op l april 2000 contact heeft opgenomen met verweerder om mee te delen dat hij per l juli 2000 een dienstverband voor één jaar met de Nieuwe Unie zou aangaan en dat daarna ook regelmatig contact is geweest tussen de afdeling P & O van de Nieuwe Unie en verweerder, niet genoegzaam - bijvoorbeeld aan de hand van stukken - aannemelijk gemaakt.

Mede gelet op deze laatste overweging moet het er voor worden gehouden dat eiser niet eerder dan bij het hiervoor aangehaalde inlichtingenformulier de voor de hoogte van zijn WAO-uitkering relevante feiten aan verweerder heeft medegedeeld. Dat het eiser redelijkerwijs duidelijk was dat het hier om relevante feiten ging, blijkt wel uit eisers stelling dat hij reeds vanaf l april 2001 deze gegevens aan verweerder kenbaar zou hebben gemaakt. Geoordeeld moet dan ook worden dat eiser de in artikel 80 van de WAO neergelegde inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Verweerder was derhalve gelet op artikel 29a, eerste lid, van de WAO gehouden eiser een boete op te leggen.

Van dringende redenen voor verweerder om van het opleggen van een boete afgezien is, mede met inachtneming van de hiervoor geschetste omstandigheden, niet gebleken. Dat aan de zijde van eiser elk vorm van verwijtbaarheid ontbreekt is de rechtbank al evenmin gebleken.

Tenslotte kan niet worden volgehouden dat de uiteindelijk bij het bestreden besluit, met inachtneming van het Boetebesluit, aan eiser opgelegde boete van f 125,= een onevenredige is."

In hoger beroep hebben partijen hun in de eerdere fasen van het geschil naar voren gebrachte argumenten in essentie herhaald.

Bij brief gedateerd 10 september 2003 heeft de Raad aan gedaagde de vraag voorgelegd waarom geen toepassing is gegeven aan punt 4 van de bijlage bij het Besluit afstemming boete werknemers (Stcrt. 2001, nr. 2, p. 26). Volgens dit punt wordt het basisboetebedrag met 50% verlaagd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Van dit laatste is in ieder geval sprake, indien de belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, maar uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt, voordat de uitvoeringsinstelling de gepleegde overtreding constateert.

Bij brief van 29 september 2003 merkt gedaagde dienaangaande op dat appellant pas opgave heeft gedaan van zijn nieuwe functie en de daaraan verbonden verdiensten op het inlichtingenformulier van 26 september 2003. Met dit formulier werd appellant verzocht gegevens over zijn werkzaamheden en zijn inkomsten te verstrekken, zodat niet kan worden gesteld dat appellant alsnog uit eigen beweging de juiste informatie heeft verstrekt. Daaraan wordt toegevoegd dat appellant de door hem gestelde contacten met gedaagde, vanaf 1 april 2000, op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

Het gaat in het onderhavige geschil om de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, en de ongegrondverklaring van het beroep tegen dat besluit door de rechtbank, in rechte stand kunnen houden.

Met betrekking tot de terugvordering is de Raad, met de rechtbank en op de door de rechtbank aangevoerde gronden, van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd geen dringende redenen oplevert om van terugvordering af te zien.

Ten aanzien van de boeteoplegging is de Raad, met de rechtbank en op de door de rechtbank aangevoerde gronden, van oordeel dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dat appellant gedaagde eerder dan bij het inlichtingenformulier aan hem verstuurd op 8 september 2000 van zijn nieuwe betrekking en het daarbij behorende inkomen op de hoogte zou hebben gesteld heeft appellant, naar het oordeel van de Raad, niet aannemelijk gemaakt. Ook is de Raad niet gebleken van dringende redenen om van de boeteoplegging af te zien.

Resteert de vraag of gedaagde, gezien punt 4 van de bijlage bij het Besluit afstemming boete werknemers, het boetebedrag met 50% had dienen te verlagen.

Gedaagde heeft in dat verband opgemerkt dat van een herstel uit eigen beweging in het onderhavige geval niet kan worden gesproken, nu appellant eerst naar aanleiding van een door gedaagde toegezonden inlichtingenformulier, zijn gewijzigde omstandigheden aan gedaagde heeft doorgegeven.

Met gedaagde is de Raad van oordeel dat, in het algemeen gesproken, van een herstel uit eigen beweging niet (meer) kan worden gesproken, indien betrokkene reageert naar aanleiding van een aan hem door gedaagde toegezonden inlichtingenformulier. De Raad ziet geen gronden om hierover in het onderhavige geval anders te oordelen, zulks te minder nu, zoals ter zitting van de rechtbank is gebleken, appellant met zijn verplichting tot het onverwijld doorgeven aan gedaagde van zijn nieuwe omstandigheden niet onbekend kan zijn geweest.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en

mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2003.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.B.M. Vermeulen.

RG