Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
01/6202 WSF
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:CBB:2001:AD7640
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening uitwonendentoelage. Onderzoeksplicht IB-Groep. Verdeling bewijsrisico t.a.v. woonsituatie studerenden.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 1
Wet op de studiefinanciering 1
Wet op de studiefinanciering 4
Wet op de studiefinanciering 12
Wet studiefinanciering 2000 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/72 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/6202 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluiten van 13 januari 2001 heeft gedaagde eerdere beschikkingen waarbij studiefinanciering aan appellante is toegekend herzien en is een bedrag teruggevorderd.

Het bezwaar dat appellante heeft ingediend tegen deze besluiten is door gedaagde bij besluit van 29 maart 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 19 oktober 2001, nr. AWB 01/577, het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft op bij beroepschrift van 19 november 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen genoemde uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 21 februari 2002, ingediend.

Beide partijen hebben hun standpunten nadien desverzocht nog nader onderbouwd en toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 14 november 2003. Aldaar is appellante in persoon verschenen, vergezeld door haar moeder [moeder]. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Bij aanvraagformulier van 8 juni 1998 heeft appellante, geboren op 27 september 1980, gedaagde verzocht om haar vanaf de maand dat zij daar recht op heeft studiefinanciering toe te kennen op grond van de Wet op de studiefinanciering. Daarbij heeft appellante opgegeven dat zij bij haar moeder woont op het adres [adres 1] te Rotterdam.

Bij ongedateerd wijzigingsformulier, door gedaagde ontvangen op 14 september 1999, heeft appellante aan gedaagde doorgegeven dat zij op 10 september 1999 is verhuisd naar het adres [adres 2] te Rotterdam en dat zij vanaf die datum niet meer bij (een van) haar ouders woont. Verder heeft appellante aangegeven dat zij de post van gedaagde voortaan op het adres Schakerlo 2 te Rotterdam wil ontvangen.

Hierop heeft gedaagde bij besluit 25 september 1999 voor het tijdvak oktober 1999 tot en met december 1999 studiefinanciering aan appellante toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Bij besluiten van 16 oktober 1999 en 14 oktober 2000 heeft gedaagde appellante ook studiefinanciering naar deze norm toegekend voor achtereenvolgens geheel 2000 en het tijdvak januari 2001 tot en met juni 2001.

Bij brief van 4 januari 2001 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat gedaagde van de sociale recherche van de gemeente Rotterdam bericht ontvangen heeft dat uit onderzoek gebleken is dat appellante feitelijk nog altijd woonachtig is bij haar moeder op het adres [adres 1] te Rotterdam. Aangekondigd is daarbij dat de aan appellante uitbetaalde uitwonendentoelage daarom zal worden teruggevorderd.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluiten van 13 januari 2001 de eerdere toekenningen van studiefinanciering aan appellante herzien, in die zin dat aan appellante over oktober 1999 tot en met juni 2001 geen studiefinanciering meer is toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende, maar naar de lagere norm voor een thuiswonende studerende. Verder is aan appellante meegedeeld dat in verband daarmee in totaal ¦ 5.025,- te veel uitbetaalde studiefinanciering zal worden verrekend of teruggevorderd.

Appellante heeft hiertegen bij gedaagde bezwaar gemaakt. Daarbij heeft appellante een op 18 januari 2001 gedateerd historisch uittreksel overgelegd uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Rotterdam, waarop is vermeld dat is geregistreerd dat zij vanaf 10 september 1999 op het adres [adres 2] te Rotterdam woont.

Bij brief van 8 maart 2001, geadresseerd aan de [adres 1] te Rotterdam, heeft gedaagde aan appellante verzocht om nader aannemelijk te maken dat zij in de betrokken periode feitelijk, en niet alleen volgens de registratie in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, op het adres [adres 2] te Rotterdam woonde.

De brief van 8 maart 2001 heeft gedaagde terug ontvangen met op de envelop waarin hij verzonden is de aantekening: "Retour. Geadresseerde is allang verhuisd."

Vervolgens heeft gedaagde het bezwaarschrift van appellante bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In dit geding ligt de vraag ter beantwoording voor of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank heeft gedaan bij de aangevallen uitspraak, ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Gedaagde heeft in het bestreden besluit aangegeven dat de besluiten van 13 januari 2001, waarbij de eerdere beschikkingen tot toekenning van studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende in het nadeel van appellante werden herzien, zijn gebaseerd op artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet studiefinanciering 2000. Ingevolge die bepaling kan een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend worden herzien op grond van het feit dat een beslissing genomen is waarvan de studerende wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was.

Gedaagde heeft zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat, gelet op een op 21 december 2000 gedateerd proces-verbaal van de sociaal rechercheur

C.A. Havermans, de ter beschikking staande gegevens voor gedaagde onvoldoende zijn om appellante (opnieuw) als uitwonend te beschouwen, zodat moet worden aangenomen dat appellante in de betrokken periode op het adres van haar moeder woonde, de beschikkingen waarbij aan appellante studiefinanciering is toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende onjuist waren en gedaagde bevoegd was om de eerdere toekenningen op de daartoe aangevoerde grond in het nadeel van appellante te herzien.

Appellante heeft het standpunt van gedaagde gemotiveerd en met een aantal bewijsmiddelen onderbouwd betwist.

Uit het proces-verbaal van 21 december 2000 van C.A. Havermans, sociaal rechercheur bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam en buitengewoon opsporingsambtenaar, dat op ambtsbelofte is opgemaakt, leidt de Raad af dat de hoofdbewoner van het adres [adres 2] te Rotterdam ten overstaan van

C.A. Havermans heeft verklaard dat appellante dit adres heeft gebruikt als postadres en dat hij daarmee heeft ingestemd als vriendendienst jegens de moeder van appellante. Verder neemt de Raad op grond van dit proces-verbaal als vaststaand aan dat in de periode 1 november 1999 tot 1 oktober 2000 een aantal waarnemingen heeft plaats gehad aan het adres [adres 2], dat appellante daarbij nimmer door de verbalisant of een collega van hem is gezien en dat op 20 september 2000 en 4 oktober 2000 een huisbezoek is afgelegd aan respectievelijk het adres [adres 2] en het adres [adres 1].

De Raad is van oordeel dat in voornoemd proces-verbaal weliswaar concrete aanwijzingen zijn vermeld die erop duiden dat appellante in de betrokken periode niet (aaneengesloten) uitwonend was op het door haar aan gedaagde opgegeven adres [adres 2], maar dat deze aanwijzingen niet voldoende zijn om aan te nemen dat de beschikkingen waarbij aan appellante een uitwonendentoelage is toegekend onjuist waren en dat gedaagde bevoegd was om deze op de aangevoerde grond te herzien.

Daartoe overweegt de Raad dat de verklaring die de hoofdbewoner van het adres [adres 2] ten overstaan van C.A. Havermans heeft afgelegd weinig overtuigings-kracht heeft, aangezien - gelet op het in het proces-verbaal genoemde onderzoek dat destijds naar zijn doen en laten werd verricht wegens een vermoeden van bijstandsfraude - niet uitgesloten is dat deze hoofdbewoner er belang bij had, of meende te hebben, om ongeacht de feitelijke situatie te ontkennen dat appellante een kamer van hem huurde en bewoonde. Ook hetgeen overigens in het proces-verbaal is opgenomen, biedt onvoldoende steun voor de vaststelling dat appellante ten tijde van belang feitelijk op het adres van haar moeder of in elk geval niet op het adres [adres 2] woonde. In dit verband merkt de Raad op dat het adres [adres 1] in het geheel niet is geobserveerd en dat in het proces-verbaal niet is vermeld op welke data en op welke tijdstippen precies waarnemingen hebben plaatsgehad aan het adres [adres 2]. In het proces-verbaal is het energieverbruik op het adres [adres 2] gekwalificeerd als minimaal, maar daarbij is niet aangegeven hoeveel energie feitelijk is verbruikt in de betrokken periode. Verder is niet gebleken dat buurtbewoners zijn bevraagd en is appellante zelf niet door de verbalisant of een collega van hem gehoord.

Gelet op het voorgaande had het naar het oordeel van de Raad op de weg van gedaagde gelegen om een grondig aanvullend onderzoek te (doen) verrichten naar de woonsituatie van appellante. De verzending van de brief van gedaagde van 8 maart 2001 kan, reeds omdat deze brief is verzonden naar een adres waarvan niet vast stond dat appellante daar nog altijd woonde en niet (mede) naar het door haar opgegeven correspondentie-adres, geenszins als een grondig onderzoek worden aangemerkt.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Gedaagde dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van appellante te nemen die wel zorgvuldig is voorbereid.

Ter informatie van partijen wijst de Raad er met het oog op nieuw te nemen beslissing op dat indien herziening aan de orde is van een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende, een redelijke verdeling van de bewijslast met zich kan brengen dat het risico dat voor de (her)beoordeling van de aanspraken van een studerende relevante gegevens onbewezen blijven uiteindelijk, na een zorgvuldig onderzoek door gedaagde, bij de studerende wordt gelegd, indien het door verwijtbaar toedoen of nalaten van deze studerende gedurende de desbetreffende periode voor gedaagde niet mogelijk (meer) is om afdoende te verifiëren dat de studerende in de betrokken periode feitelijk uitwonend is geweest aan het opgegeven adres. In beginsel is gedaagde evenwel uitsluitend bevoegd om tot herziening van de uitwonendentoelage over te gaan indien en voor zover uit geverifieerde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de betrokken studerende gedurende de desbetreffende periode op het adres van zijn ouders of een van hen heeft gewoond.

De Raad acht in verband met hetgeen hiervoor is overwogen termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante, die zijn begroot op € 644,- als kosten van in beroep verleende rechtsbijstand. Verder zijn geen proceskosten gevorderd en is evenmin gebleken van andere proceskosten die in aanmerking komen voor ambtshalve toewijzing.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Informatie Beheer Groep aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.