Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1520

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
01/2948 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht een maatregel opgelegd omdat de werknemer het werkloosheidsrisico heeft vergroot door een dienstverband voor onbepaalde tijd te verruilen voor een dienstverband voor bepaalde tijd?

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2003-12-17
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2003-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/81

Uitspraak

01/2948 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 18 april 2001 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep van appellant tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 14 maart 2000 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema voornoemd, terwijl gedaagde zich, met voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant is voor het eerst in 1995 in dienst getreden als schilder bij Hagemans Arnhem B.V. te Arnhem (hierna: Hagemans). Appellant heeft per 5 juli 1999 bij Hagemans ontslag genomen teneinde met ingang van dezelfde datum als onderhoudsschilder te gaan werken voor Schildersbedrijf Wassink B.V te Rheden (hierna: Wassink). Appellant had een contract voor een periode tot 5 november 1999, maar aan het eind van die periode is de arbeidsovereenkomst voor drie weken verlengd. Per 27 november 1999 was er geen werk meer voor appellant en is hij door de werkgever ontslagen.

Op 1 december 1999 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 6 januari 2000 heeft gedaagde appellant met ingang van 29 november 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de WW. Op deze uitkering heeft gedaagde gedurende 26 weken een korting toegepast van 35% omdat appellant op eigen verzoek ontslag heeft genomen uit een dienstverband voor onbepaalde tijd teneinde een dienstverband voor bepaalde tijd aan te gaan. Die ontslagname per 5 juli 1999 is volgens gedaagde van invloed op de per 29 november 1999 ontstane werkloosheid, aangezien appellant op die datum nog in dienst had kunnen zijn bij zijn oude werkgever. Het daartegen gerichte bezwaar heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het daartegen ingesteld beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat uit de gedingstukken voldoende duidelijk is geworden dat appellant nog bij Hagemans in dienst had kunnen zijn.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant - kort samengevat en voor zover hier van belang - onder meer gesteld dat appellant ook bij Hagemans niet zeker van werk was omdat hij in de periode waarin er weinig werk was, met name gedurende de winterstop, werd ontslagen. Voor een dergelijk ontslag werd geen procedure bij de directeur van het GAB gevolgd. Na zo'n ontslag ontving hij dan een WW-uitkering. Als er voldoende werk was, werd hij vervolgens weer aangenomen. De gemachtigde heeft daarbij een aantal winterperiodes aangewezen gedurende welke aan appellant een WW-uitkering is toegekend. Volgens de gemachtigde van appellant ging appellant er van uit dat hij op dezelfde basis voor een volgende werkgever zou gaan werken en dat hij, net zoals dat veelal bij zijn oude werkgever het geval was, tijdens de winterstop veelal niet zou kunnen werken. Door de wisseling van baan heeft appellant volgens de gemachtigde geen verhoogd werkloosheidsrisico in het leven geroepen.

De Raad overweegt als volgt.

In het onderhavige geding is de vraag aan de orde of appellant ter zake van zijn op 29 november 1999 ingetreden werkloosheid enig verwijt treft. Partijen verschillen niet van mening dat die werkloosheid, voortvloeiend uit de dienstbetrekking bij Wassink, niet verwijtbaar is. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of appellant door voorafgaand daaraan zijn dienstverband met Hagemans te beëindigen het werkloosheidsrisico heeft vergroot. De Raad stelt wat dat betreft vast dat appellant werkzaam was in een branche waarin het gebruikelijk was dat er gedurende de winterperiode minder, dan wel geen werk beschikbaar was en dat in die periode, die als de winterstop werd aangeduid, de betrokken werknemers werden ontslagen en in het genot van een WW-uitkering werden gesteld. Uit het overzicht van de aan appellant toegekende uitkeringen blijkt dat hem, sinds hij een aanvang maakte met zijn werkzaamheden als schilder in 1995, inderdaad in een vast patroon gedurende de winterperiode WW-uitkeringen werden verstrekt. De Raad wijst er voorts op dat, blijkens dat overzicht, hetzelfde patroon zich ook na de periode in geding heeft voortgezet. In dat verband wijst de Raad er op dat appellant na de winterstop in 2000 in eerste instantie weer werkzaamheden voor Wassink is gaan verrichten. De Raad wijst er verder op dat het feit dat aan appellant vóór 1995 gedurende de winterperiode geen uitkeringen werden verstrekt verband houdt met het feit dat appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, voordat hij bij Hagemans in dienst trad, niet werkzaam was in de schildersbranche. Daarnaast wijst de Raad er op dat voor dit vaste patroon van werkloosheid een bevestiging is te vinden in de verklaring van Wassink van 10 september 2001. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het patroon waarin appellant bij Hagemans werkte, niet verschilde van dat bij Wassink. Op basis hiervan komt de Raad dan ook tot het oordeel dat appellant door de overstap van Hagemans naar Wassink te maken het werkloosheidsrisico niet in relevante mate heeft vergroot. Het feit dat de aanstelling bij Wassink voor bepaalde tijd was, heeft in dat verband geen betekenis omdat appellant en Wassink er bij het aangaan van de overeenkomst van uitgingen, en mochten gaan, dat er voldoende werk was en dat er, zoals gebruikelijk in de branche, tijdens de winterperiode minder werk voorhanden zou zijn en dat appellant in dat laatste geval een WW-uitkering zou worden toegekend.

Dit betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven. Gedaagde zal met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en zal gedaagde veroordelen in de proceskosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,-- in eerste aanleg en € 644,-- in hoger beroep, totaal

derhalve € 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 104,37 (f 170,-- + f 60,--) aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen

(get.) P. Boer

FB/23/12