Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
05-01-2004
Zaaknummer
01/6168 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Was appellante verplicht van de op 15 januari 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid bij gedaagde aangifte te doen en kon niet worden volstaan met een verwijzing naar een mogelijk eerdere aangifte van een eerder ziektegeval?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43c, geldigheid: 2003-12-17
Ziektewet 38, geldigheid: 2003-12-17
Ziektewet 38, geldigheid: 2003-12-17
Ziektewet 38, geldigheid: 2003-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/48

Uitspraak

01/6168 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. M.S.P. Orbán, werkzaam bij Commit Arbo B.V., op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage onder dagtekening 18 oktober 2001 tussen partijen gegeven uitspraak (nr: 00/ 3949 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 25 maart 2002 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 november 2003, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door D.A.M. Visser, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Aan [naam werkneemster], werkneemster van appellante, heeft gedaagde bij besluit van 4 december 1999 met ingang van 18 oktober 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij dit besluit is bepaald dat de uitkering eerst vanaf 17 november 1999 wordt uitbetaald. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante, in strijd met het bepaalde in artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet (ZW), niet uiterlijk op de eerste dag nadat de arbeidsongeschiktheid van haar werkneemster [werkneemster] 13 weken had geduurd, bij gedaagde daarvan aangifte had gedaan. De eerste dag van de arbeidsongeschiktheid is gesteld op 15 januari 1999, terwijl de aangifte daarvan door gedaagde is ontvangen op 18 mei 1999 in plaats van uiterlijk op 15 april 1999. Omdat op grond van artikel 7:629, leden 1 en 11 van het Burgerlijk Wetboek (BW) appellante gehouden is het loon door te betalen aan [werkneemster] over de periode dat de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW later plaatsvindt dan in dit artikel is voorgeschreven, zijnde in dit geval dertig dagen, heeft gedaagde met toepassing van artikel 43c (thans 43d) van de WAO over deze periode van dertig dagen, te rekenen vanaf 18 oktober 1999, de uitkering ingevolge de WAO niet uitbetaald.

Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar heeft gedaagde zich bij het thans bestreden besluit van 24 februari 2000 nader op het standpunt gesteld dat, nu de eerdere ziekteperiode van [werkneemster] van 8 oktober 1998 tot 4 januari 1999 binnen vier weken werd gevolgd door de ziekteperiode ingaande 15 januari 1999, gelet op artikel 38, eerste lid, van de ZW, het tijdvak van dertien weken voor de tijdigheid van de aangifte van arbeidsongeschiktheid aanving op 8 oktober 1998 en dat appellante derhalve van de opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid op 15 januari 1999 onmiddellijk aangifte had behoren te doen. De verplichting van appellante tot doorbetaling van het loon heeft gedaagde op grond hiervan op zeventien weken gesteld in plaats van op dertig dagen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin ligt besloten dat in bezwaar niet ten nadele van de belanghebbende op een besluit wordt teruggekomen, heeft gedaagde bij het bestreden besluit de in het primaire besluit genoemde termijn van dertig dagen waarmee de verplichting van appellante om het loon aan [werkneemster] door te betalen wordt verlengd, gehandhaafd.

In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij van de op 8 oktober 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid op 11 december 1998 aangifte heeft gedaan middels een voorlopig reïntegratieplan en dat van de op 15 januari 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid op die datum aangifte is gedaan. Ter adstructie van die stelling heeft appellante enige op deze laatste aangifte betrekking hebbende stukken ingezonden.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat door evenvermelde stukken, bestaande uit een copie van een fax aan de arbodienst van appellante en een copie van een lijst met ziekmeldingen, onvoldoende is komen vast te staan dat appellante de bewuste ziekmelding inderdaad op 15 januari 1999 aan gedaagde heeft gedaan. De stelling dat appellante al op 11 december 1998 een ziekmelding had gedaan door een voorlopig reïntegratieplan in te dienen, heeft de rechtbank gepasseerd, omdat deze niet met enig bewijs is gestaafd. De rechtbank heeft daarop het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, onder overlegging van dezelfde stukken als in eerste aanleg, dat wel degelijk sprake is geweest van aangifte van de arbeidsongeschiktheid bij gedaagde op 15 januari 1999. Voorts heeft appellante gesteld dat de verplichting om bij een nieuw ziektegeval binnen een dag aangifte te doen niet voortvloeit uit artikel 38, eerste lid, van de ZW, er geen termijn is gesteld voor het indienen van een ziekmelding bij hernieuwde uitval en er geen wettelijke grondslag is voor het opleggen van een loondoorbetalingsverplichting bij het niet tijdig indienen van een hernieuwde ziekmelding.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 11 februari 2003 (USZ 2003/141) zijn oordeel al kenbaar gemaakt dat een werkgever als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit, genomen op grond van artikel 43c (thans 43d) van de WAO. De Raad heeft geen reden daaromtrent thans anders te oordelen. Gedaagde heeft derhalve appellante in de bezwaarfase van de besluitvorming terecht als belanghebbende aangemerkt en in het gemaakte bezwaar ontvangen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de van de zijde van appellante overgelegde stukken niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat op 15 januari 1999 aangifte van de ingetreden arbeidsongeschiktheid bij gedaagde is gedaan. Deze stukken wijzen er wel op dat appellante haar arbodienst heeft verwittigd, maar geenszins is kunnen blijken dat daarvan door de arbodienst op 15 januari 1999 melding is gedaan bij gedaagde. Eventuele fouten van die arbodienst moet de Raad voor rekening en risico van appellante laten.

Voorts overweegt de Raad als volgt.

De vraag of appellante op 11 december 1998 aangifte heeft gedaan van op 8 oktober 1998 ingetreden arbeidsongeschiktheid van haar werkneemster [werkneemster] is voor dit geding reeds hierom niet van belang, nu in het onderhavige geval het niet gaat om arbeidsongeschiktheid die is ingetreden op 8 oktober 1998, maar om arbeidsongeschiktheid die is ingetreden op 15 januari 1999.

Voorzover appellante bedoeld heeft te stellen, dat uit de omstandigheid dat [werkneemster] binnen vier weken na haar herstel op 4 januari 1999 zich weer heeft ziek gemeld, voortvloeit dat de aangifte van 11 december 1998 betekenis heeft, omdat gelet op artikel 38, eerste lid, van de ZW sprake is van een doorlopend ziektegeval overweegt de Raad als volgt.

In artikel 38, derde lid, van de ZW is de verplichting van de werkgever opgenomen om binnen vier dagen na herstel, dan wel aan het uitvoeringsorgaan te melden als de werknemer weer in staat is zijn arbeid te verrichten. Ingevolge artikel 38, vierde lid, van de ZW is op het niet (behoorlijk) nakomen van die verplichting een boete gesteld. Hieruit leidt de Raad af dat de wetgever aan deze melding groot belang heeft gehecht. Als deze hersteldmelding na afloop van de voorlaatste periode van ongeschiktheid in het onderhavige geval door appellante is gedaan (de stukken geven hierover geen uitsluitsel), heeft gedaagde er recht op en belang bij van een daarna wederom ingetreden arbeidsongeschiktheid op de hoogte te worden gesteld. Zou evenwel moeten worden aangenomen dat appellante de melding ex artikel 38, derde lid, van de ZW niet heeft gedaan dan zou zulks appellante niet kunnen baten. Het is rechtens onaanvaardbaar dat appellante door de haar in artikel 38, derde lid, van de ZW opgelegde en in het vierde lid gesanctioneerde verplichting te schenden, bij een nieuw ziektegeval daardoor zou kunnen zijn ontheven van de meldingsplicht ex artikel 38, eerste lid, van de ZW.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat appellante verplicht was van de op 15 januari 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid bij gedaagde aangifte te doen en dat niet kan volstaan met een verwijzing naar een mogelijk eerdere aangifte op 11 december 1998 van een eerder ziektegeval.

Ingevolge de derde volzin van artikel 38, eerste lid, van de ZW wordt voor de vraag of de melding tijdig is gedaan tijdvakken van ongeschiktheid samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Nu [werkneemster] op 4 januari 1999 was hersteld en zich op 15 januari 1999 weer ziek meldde doet zich een geval voor als waarop deze volzin doelt. De termijn van dertien weken ving aan toen [werkneemster] zich de voorlaatste keer ziek meldde, te weten 8 oktober 1998, en verstreek derhalve op 8 januari 1999, op welk tijdstip [werkneemster] niet (meer) ongeschikt tot werken was. Een redelijke wetstoepassing brengt dan mee dat appellante gehouden is van de nieuwe ziekmelding op 15 januari 1999 bij gedaagde onverwijld aangifte te doen.

Naar de Raad hiervoor reeds heeft overwogen is die aangifte voor hem niet komen vast te staan. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

Gw