Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
02/4630 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vormt de functiebeschrijving van de functie unithoofd basispolitiezorg A een juiste weergave aan betrokkene opgedragen werkzaamheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/75

Uitspraak

02/4630 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 juli 2002, nr. 01/1298, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en nog een nader stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Zoetermeer. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. A.G. Haverkamp, werkzaam bij de politieregio.

II. MOTIVERING

1. Appellant is werkzaam als unithoofd basispolitiezorg A van het district Arnhem Veluwezoom Oost, unit Velp. Bij brieven van 30 oktober 1998 en 21 december 1998 heeft hij per 1 januari 1997 verzocht om functieonderhoud als bedoeld in artikel 6, zevende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de verantwoordelijkheid draagt voor 63 medewerkers, waarvan 51 in de executieve dienst, 6 burgermedewerkers en 6 wijktoezichthouders, alsmede 20 medewerkers van de vrijwillige politie en voorts dat de unit verspreid ligt over drie gemeenten, wat extra werkdruk oplevert op het gebied van afstemming, bestuurlijk overleg en beleidsmatige werkzaamheden.

1.1. Bij besluit van 8 april 1999 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen, omdat appellant volgens de formatieoverzichten leiding geeft aan 34 FTE's en voor bepaalde groepen, zoals de vrijwilligers en wijktoezichthouders, niet eindverantwoordelijk is. Gedaagde acht hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende om voor de functie unithoofd B in aanmerking te komen en meent daarom dat de functiebeschrijving unithoofd basispolitie-zorg A zijn functie juist weergeeft.

1.2. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 23 augustus 2001. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de door hem in de praktijk uitgeoefende werkzaamheden al lange tijd niet meer overeenkomen met de werkzaamheden die zijn opgenomen in de voor hem geldende functiebeschrijving. Onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en bij de rechtbank heeft aangevoerd heeft appellant nader uiteengezet dat hij feitelijk aan 56 personen leiding moet geven, dat hij verantwoordelijk is voor planning, aansturing, houden van functioneringsgesprekken en beoordelingen van de 18 medewerkers van de vrijwillige politie en dat hij ook nog twee parkeercontroleurs aanstuurt die in dienst van de gemeente Rheden zijn. Met betrekking tot de surveillanten erkent appellant dat deze ook werden ingezet in andere units, maar nu de unit Velp voor de surveillanten als "uitzendbureau" fungeert, betekent dit naar het oordeel van appellant dat de volledige personeelszorg voor de surveillanten bij hem berust.

3. Gedaagde heeft aangevoerd dat er geen reden is voor aanpassing van de functie-beschrijving, omdat het aantal medewerkers waaraan leiding wordt gegeven geen invloed heeft op de beschrijving van de functie, maar alleen op de waardering daarvan. Gedaagde houdt daarbij als vaste beleidslijn aan dat, daar waar het aantal medewerkers waaraan leiding wordt gegeven (mede) bepalend is voor de waardering van de functie, de formatieve sterkte wordt aangehouden en dat medewerkers die niet zijn aangesteld op een formatieve functie, zoals bovenformatieve medewerkers, medewerkers van de vrijwillige politie en medewerkers in dienst van derden die slechts operationeel worden aangestuurd niet worden meegerekend. Ook in deeltijd werkzame medewerkers worden slechts meegerekend naar rato van hun deeltijd.

4. De Raad stelt voorop dat het onderhavige geding beperkt is tot de vraag of de functiebeschrijving van de functie unithoofd basispolitiezorg A een juiste weergave vormt van de aan appellant opgedragen werkzaamheden. Als dat niet het geval is en de functiebeschrijving dient te worden aangepast, komt daarna de waardering van de functie aan de hand van de aldus aangepaste functiebeschrijving aan de orde. Aanpassing van de functiebeschrijving zal daarom niet in alle gevallen betekenen dat ook de functiewaar-dering tot indeling in een hogere salarisschaal leidt.

4.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) wordt onder "functie" verstaan: het samenstel van werkzaamheden door de ambtenaar te verrichten krachtens en overeenkomstig hetgeen hem door het daartoe bevoegde gezag is opgedragen. Ingevolge artikel 6, zevende lid, van het Bbp kan de ambtenaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van zijn functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Deze taak van het bevoegd gezag pleegt te worden aangeduid als organisatie-onderhoud of functie-onderhoud. Uit de Nota van toelichting bij het Bbp komt naar voren dat onder "langere tijd" een periode van circa 1 jaar wordt verstaan en dat "in overeenstemming brengen" inhoudt dat ofwel de organieke functie(-beschrijving) wordt aangepast aan de feitelijke opgedragen werkzaamheden, ofwel de van de organieke functie afwijkende werkzaamheden niet meer worden opgedragen. Kiest het bevoegd gezag voor de eerstbedoelde mogelijkheid, dan volgt uit het stelsel van het Bbp dat de aangepaste functie opnieuw moet worden gewaardeerd.

4.2. Blijkens het verhandelde ter zitting bestrijdt gedaagde niet dat aan appellant structureel taken zijn opgedragen met betrekking tot de personeelszorg van surveillanten, wijktoezichthouders en vrijwilligers. Erkend is bijvoorbeeld dat appellant met alle surveillanten - ook de surveillanten die formeel tot andere districten behoren - en met alle vrijwilligers functioneringsgesprekken voert en over hen beoordelingen opmaakt. Ook de wijktoezichthouders, die op een zogenoemde Melkert-baan in dienst zijn van de gemeente, worden geworven, geselecteerd en opgeleid door de politie en vast staat dat appellant belast is met de planning van hun activiteiten en hun dagelijkse aansturing.

4.3. Namens gedaagde is erkend dat deze werkzaamheden niet zijn terug te vinden in de geldende functiebeschrijving, omdat de onder "leidinggeven" vermelde taken slechts betrekking hebben op de personen die behoorden tot de onder punt 4 van de beschrijving bedoelde vaste formatie van circa 30 FTE's.

4.4. Nu voorts onweersproken is dat appellant deze werkzaamheden met betrekking tot de hiervoor genoemde, niet tot de vaste formatie behorende groepen van medewerkers gedurende een aantal jaren in opdracht (heeft) verricht en voldoende aannemelijk is dat deze werkzaamheden een wezenlijk onderdeel van de functie vormden, is de Raad van oordeel dat gedaagde een nadere inventarisatie en beschrijving van de hier bedoelde werkzaamheden niet achterwege had mogen laten. Dat een aangepaste beschrijving naar de mening van gedaagde toch niet tot indeling in een hogere schaal zal leiden, vormt in het licht van artikel 6, zevende lid, van het Bbp onvoldoende grond om functiebe-schrijving en werkzaamheden niet met elkaar in overeenstemming te brengen.

5. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat de onder 4. geformuleerde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het bestreden besluit kan in rechte geen stand houden en komt voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde zal een nieuwe beslissing moeten nemen op appellants bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

5.1. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 23 augustus 2001;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de politieregio Gelderland-Midden;

Bepaalt dat de politieregio Gelderland-Midden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

12.12

Q