Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO1132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
30-12-2003
Zaaknummer
02/4145 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering adjudant onderzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4145 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2002, nr. AWB 01/2288 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sedert februari 1991 werkzaam als adjudant onderzoeker bij het [naam bureau] ([naam bureau]). Bij besluit van 24 februari 1997, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 december 1997, heeft gedaagde de functie van appellant over de periode van 1 april 1991 tot 1 april 1993 gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 9. Bij uitspraak van 10 maart 2000, nr. AW 98/521/154, heeft de rechtbank, voorzover thans nog van belang, het besluit van 15 december 1997 vernietigd en gedaagde opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

1.2. Bij brief van 13 juni 2001 is namens appellant beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar. Bij brief van 27 juni 2001 is zulk een besluit, gedateerd 21 mei 2001 en ondertekend door het Hoofd Politiële Bedrijfsvoering, alsnog aan appellant bekend gemaakt. Dit besluit is door de rechtbank op de voet van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het reeds aanhangige beroep betrokken. Namens appellant is tegen het besluit van 21 mei 2001 (hierna: het bestreden besluit) aangevoerd dat dit onbevoegdelijk is genomen omdat van een (onder)mandaat niet is gebleken. Bij brief van 23 augustus 2001 heeft gedaagde de onbevoegdheid erkend en verklaard het bestreden besluit te bekrachtigen door het voor zijn rekening te nemen. Vervolgens zijn namens appellant tegen het besluit inhoudelijke beroepsgronden ingebracht.

1.3. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voorzover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, gedaagde in de proceskosten veroordeeld tot een bedrag van € 80,50 en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de proceskostenveroordeling, betrekking hebbende op het indienen van een beroepschrift tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar, ten onrechte heeft beperkt tot 0,25 procespunt. Ter zitting van de Raad heeft appellant deze beroepsgrond evenwel ingetrokken, onder verwijzing naar inmiddels gevormde jurisprudentie.

3. Appellant heeft tevens aangevoerd dat de rechtbank hem 0,5 procespunt had moeten toekennen voor het indienen van het geschrift waarin hij een beroep heeft gedaan op de onbevoegdheid van het Hoofd Politiële Bedrijfsvoering. Deze grief treft doel. De bekrachtiging van het bestreden besluit heeft eerst plaatsgevonden nadat van de zijde van appellant - terecht - op de onbevoegdheid was gewezen. Appellant heeft daarvoor kosten moeten maken. Dat de rechtbank vanwege de bekrachtiging geen aanleiding heeft gezien het bestreden besluit op grond van de onbevoegdheid te vernietigen, staat niet in de weg aan een veroordeling in die kosten zoals door appellant verzocht. Op dit punt komt de aangevallen uitspraak dus voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal met toepassing van artikel 8:75 van de Awb alsnog de gevraagde veroordeling uitspreken.

4. Geen doel treft de grief van appellant dat het bestreden besluit niet had mogen worden gebaseerd op het advies van de tijdelijke commissie functietypering en functiewaardering van 18 april 2001 omdat dit is uitgebracht onder voorzitterschap van degene die ook als voorzitter van de commissie bezwaarschriften functiewaardering betrokken is geweest bij de totstandkoming van het advies dat ten grondslag heeft gelegen aan de door de rechtbank vernietigde beslissing op bezwaar van 15 december 1997. Er is geen wettelijk voorschrift dat zulk een hernieuwde betrokkenheid verbiedt. Naar het oordeel van de Raad kan ook niet worden staande gehouden dat de voorzitter zich daarvan uit een oogpunt van zorgvuldigheid had moeten onthouden dan wel dat gedaagde het bestreden besluit niet op dit advies had mogen baseren. Daarbij is in aanmerking genomen dat de rechtbank de vernietiging van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar uitsluitend heeft gebaseerd op gebreken in de motivering van het advies en dat de bevoegdheid tot beslissen niet bij de commissie berust doch bij gedaagde. Concrete feiten of omstandig-heden die aanleiding konden geven tot gegronde vrees voor vooringenomenheid van de voorzitter zijn niet naar voren gekomen. Dat de voorzitter op het terrein van de functie-waardering is gespecialiseerd en als zodanig een zwaarwegende inbreng heeft in de commissie, is daarvoor niet voldoende.

5. Met betrekking tot de in geding zijnde waardering van de functie van adjudant onderzoeker bij het [naam bureau] overweegt de Raad als volgt.

5.1. Waar het gaat om besluiten inzake functiewaardering dient de toetsing een terughoudende te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat eerst tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend dat een andere, hogere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

5.2. Op zichzelf is niet in geschil dat bij de onderhavige functiewaardering moet worden uitgegaan van de beschrijving van de functie zoals deze is neergelegd in het door de dienstleiding voor akkoord getekende functietyperingsformulier (FTF) van 9 december 1993. Hierin worden - in overeenstemming met de taakomschrijving van het [naam bureau] zoals neergelegd in het dienstvoorschrift van 5 maart 1991 - drie taakvelden onderscheiden, te weten (1) het leiden, begeleiden en/of verrichten van strafrechtelijke- en bedrijfsonder-zoeken, (2) het uitbrengen van adviezen inzake het voorkomen en bestrijden van normaf-wijkend gedrag en (3) het adviseren over en/of het deelnemen in opleidingsprogramma's en het geven van voorlichting.

5.3. Gedaagde heeft de taken van het eerste taakveld afgezet tegen de referentiefunctie van rijksrechercheur, waaraan salarisschaal 10 is verbonden. De overige taakvelden, met name de adviesfunctie, zijn vergeleken met de referentiefunctie van beleidsmede-werker A (schaal 9), bezien in verband met de referentiefunctie van beleidsmedewerker B (schaal 11). Daarbij is gedaagde, kort samengevat, tot het oordeel gekomen dat ten opzichte van de rijksrechercheur een minvariant gerechtvaardigd is en dat de overige taken het meest aansluiten bij die van de beleidsmedewerker A. Gedaagde waardeert de functie derhalve op het niveau van schaal 9.

5.4. Wat betreft de onderzoekstaken moet, met appellant, worden vastgesteld dat deze naar hun aard tot op grote hoogte met die van een rijksrechercheur overeenkomen. Ook bij het [naam bureau] gaat het in wezen om recherchewerkzaamheden en spelen deze zich af op het (publiciteits)gevoelige terrein van de integriteitsbewaking. Dit neemt niet weg dat er, naar gedaagde overtuigend heeft uiteengezet, wel verschillen zijn aan te wijzen. Richt het [naam bureau] zich op de integriteitsbewaking binnen het toenmalige eigen korps van de Gemeentepolitie Amsterdam, de Rijksrecherche heeft een werkterrein dat zich uitstrekt over alle politiekorpsen en ook over andere overheidsinstanties. Daarmee is de taak van de rijksrechercheur breder en gevarieerder. Weliswaar krijgt ook de adjudant onderzoeker bij het [naam bureau] in zijn onderzoek te maken met personen en instanties buiten het eigen korps, maar daarbij staat - anders dan bij de rijksrechercheur - altijd het handelen of nalaten van collega's binnen het eigen korps als voorwerp van onderzoek centraal. Voorts zijn (en waren) bepaalde zaken die zich binnen het korps afspelen, zoals het onderzoek naar schietincidenten en voorvallen met dodelijke afloop, aan de Rijksrecherche voorbehouden. De Raad acht derhalve de ten opzichte van de rijksrechercheur toegepaste "minvariant" niet onhoudbaar. Ter zitting is naar voren gekomen dat de werkwijze van de Rijksrecherche ten tijde hier van belang overigens niet wezenlijk anders was.

5.4.1. Voorts kan de Raad appellant niet volgen in zijn grief dat gedaagde bij de interpretatie van de onderzoekstaken in de functie van appellant het FTF als grondslag voor de functiewaardering heeft verlaten. Zoals ook ter zitting door appellant is bevestigd werden samen met collega's onderzoeken verricht, waarbij (afwisselend) één van de onderzoekers het voortouw nam en geen sprake was van hiërarchisch leidinggeven. De Raad ziet niet dat deze vorm van samenwerking niet begrepen zou kunnen worden onder de in punt 1 van het FTF globaal omschreven taken.

5.5. Wat betreft de overige taken, waaronder de adviesfunctie, is de Raad van oordeel dat gedaagde aansluiting heeft kunnen zoeken bij de referentiefunctie van beleidsmede-werker A (schaal 9). Daarbij is in aanmerking genomen dat, zoals ook ter zitting is gebleken, de adviezen van de adjudant onderzoeker worden uitgebracht naar aanleiding van de ingestelde onderzoeken in concrete zaken. De adviezen komen voor de verantwoordelijkheid van de chef van het [naam bureau] en de werkzaamheden van de adjudant onderzoeker zijn in die zin van ondersteunende aard. Voorts zijn de adviezen, gezien het werkterrein van het [naam bureau], toegespitst op de integriteitsbevordering en -bewaking. Hoezeer alle onderdelen van het politieapparaat van het belang van integriteit behoren te zijn doordrongen, vormt integriteit toch slechts een deelaspect van het totale functioneren van het korps. Aldus stemt de functie ten aanzien van dit niveaubepalende element in het FTF in belangrijke mate overeen met de gekozen referentiefunctie, die het verrichten van ondersteunende werkzaamheden en deelonderzoeken in het kader van politiële beleids-vorming en bedrijfsvoering, alsmede het adviseren/ondersteunen van (sector)hoofden met betrekking tot een specifiek beleidsterrein omvat. De door appellant bepleite vergelijking met de functie beleidsmedewerker B (schaal 11) gaat niet op, nu die referentiefunctie ziet op het zelfstandig, met eigen projectverantwoordelijkheid en over de gehele breedte van het politiële werkterrein initiëren en formuleren van beleidsvoorstellen en evalueren van gevoerd beleid. Aan het vorenstaande ziet de Raad onvoldoende afdoen dat appellant in de hier van belang zijnde periode kennelijk een - gewaardeerde - voortrekkersrol heeft gespeeld bij het structureel aanpakken van de integriteitsproblematiek bij de politie. De wijze waarop de betrokken ambtenaar concreet invulling geeft aan zijn functie, is bij de waardering van die functie niet van betekenis.

5.6. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat de in het geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust.

6. Het bestreden besluit houdt derhalve in rechte stand en de aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

7. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 9,86 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal derhalve € 653,86.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij niet tevens een proceskostenveroordeling is uitgesproken als hierna omschreven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 161,-, te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 653,86, te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bepaalt dat de politieregio Amsterdam-Amstelland aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

12.12