Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO0425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
08-01-2004
Zaaknummer
01/5107 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanzegging uitlooptermijn bij herziening WAO over afgesloten periode in het verleden.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 36
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5107 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 15 mei 1998, nr. 1, heeft appellant aan gedaagde, wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid vanaf

13 augustus 1997, met ingang van 10 september 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 15 mei 1998, nr. 2, heeft appellant deze WAO-uitkering per 14 januari 1998 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 10 juni 1999 (hierna: besluit 1) heeft appellant de door gedaagde gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 15 mei 1998, nrs. 1 en 2, ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft appellant met het besluit van 7 februari 2001 (hierna: het bestreden besluit) besluit 1 ingetrokken en wijziging gebracht in de besluiten van 15 mei 1998, nrs. 1 en 2, in die zin dat appellant gedaagde per 10 september 1997 in aanmerking heeft gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke uitkering in verband met gedeeltelijke hervatting in gedaagdes eigen werk, wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft bij het bestreden besluit voorts de WAO-uitkering van gedaagde met ingang van 14 januari 1998 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 17 augustus 2001, nummer WAO 01/294, (onder meer) het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover appellant daarbij heeft beslist op het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 15 mei 1998, nr. 2.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, op 8 en 22 januari 2002 een verweerschrift ingediend, waarop zijdens appellant is gereageerd.

Appellant heeft desgevraagd de Raad nadere stukken doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2003, waar namens appellant is verschenen

mr. A. van den Os, werkzaam bij het UWV, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. Bemelmans, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het hoger beroep van appellant uitsluitend is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij gedaagdes beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd als in rubriek I van de uitspraak van de Raad is omschreven.

De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Weliswaar was de rechtbank blijkens die uitspraak van oordeel dat in de voorhanden zijnde medische gegevens voldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de medische beperkingen van gedaagde op de datum in geding op een juiste wijze zijn vastgesteld, doch de rechtbank kon zich niet verenigen met de arbeidskundige grondslag van het in geding zijnde onderdeel van het bestreden besluit. De rechtbank stelde zich op het standpunt dat de door de bezwaararbeidsdeskundige (in bezwaar) bijgeduide functies van telefoniste/ receptioniste en van secretaresse verpleegafdeling naar aard en inhoud zodanig afwijken van de oorspronkelijk geduide functie van medisch secretaresse dat niet gezegd kan worden dat die daarvoor zonder meer in de plaats zouden kunnen worden gesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit -omdat zonder de bijgeduide functies onvoldoende functies resteren- in zoverre op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust.

Appellant bestrijdt in hoger beroep, onder overlegging van een rapport van 14 november 2001 van de bezwaararbeids- deskundige G.C. van Welzenis, de juistheid van dit oordeel van de rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat de functie van secretaresse verpleegafdeling -de functie van telefoniste/receptioniste heeft appellant alsnog laten vervallen- zozeer in het verlengde van de eerder geduide, wegens arbeidskundige redenen niet langer gehandhaafde functie van medisch secretaresse ligt dat het voor gedaagde duidelijk had kunnen zijn dat zij ook voor deze functie geschikt was. Voorts is door appellant ter ondersteuning van zijn standpunt nog verwezen naar 's Raads uitspraken van 7 juli 1993 (gepubliceerd in

RSV 1993/316) en van 1 mei 1998 (gepubliceerd in RSV 1998/212).

Blijkens het verweerschrift heeft gedaagde, in navolging van hetgeen de rechtbank te dien aanzien heeft overwogen, gesteld dat de functie van secretaresse verpleegafdeling en van medisch secretaresse niet zijn aan te merken als één functie, (onder meer) omdat deze functies in onderscheiden functiebestandscodes zijn ondergebracht. Voorts is zijdens gedaagde nog aangevoerd dat appellants arbeidsdeskundige ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat gedaagde beschikt over een MULO- cq MAVO-diploma, zodat ook om die reden de functie van secretaresse verpleegafdeling niet passend is te achten.

De Raad stelt vast dat, nu het hoger beroep van appellant zich uitsluitend richt tegen het oordeel van de rechtbank inzake de arbeidskundige grondslag van het in geding zijnde onderdeel van het bestreden besluit en de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft medegedeeld dat de medische component in hoger beroep niet meer in geding is, uitsluitend die arbeidskundige grondslag nog aan de orde is.

Met name de inbreng in het rapport van 14 november 2001 van de bezwaararbeidsdeskundige Van Welzenis -met conclusie dat de oorspronkelijk geduide functie van medisch secretaresse en de bijgeduide functie van secretaresse verpleegafdeling nagenoeg dezelfde (medische) secretariaatshandelingen betreffen, ook waar het de tijdsbesteding in de verschillende taakonderdelen betreft- maakt dat de Raad van oordeel is dat appellant afdoende heeft aangetoond dat de bijgeduide functie van secretaresse verpleegafdeling een zodanige verwantschap heeft met de oorspronkelijk geselecteerde functie van medisch secretaresse dat het voor gedaagde duidelijk had kunnen zijn dat zij ook voor deze aanvullend geduide functie geschikt was.

Ten aanzien van gedaagdes in verweer naar voren gebrachte standpunt dat de functie van secretaresse verpleegafdeling (ook) niet passend is omdat gedaagde -anders dan zij eerder, op 1 april 1992, op de vragenlijst arbeid en inkomen heeft ingevuld- de MAVO 4-opleiding niet met een diploma heeft afgesloten, overweegt de Raad dat, gelet op het feit dat gedaagde wel over een MBO-diploma, sociale dienstverlening, beschikt, zij geacht kan worden een zodanige kennis te hebben opgedaan dat haar opleiding met een afgeronde MAVO 4-opleiding kan worden gelijkgesteld.

Uitgaande van de juistheid van de door appellant voor gedaagde vastgestelde beperkingen is de Raad van oordeel dat gedaagde op 14 januari 1998 in staat moet worden geacht de haar door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. Met de functies van printmonteuse, inpakker machinaal en secretaresse verpleegafdeling liggen aan de onderhavige schatting voldoende functies met een genoegzaam aantal arbeidsplaatsen ten grondslag. Vergelijking van de aan die functies verbonden mediane loonwaarde met het voor gedaagde geldende maatmaninkomen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van circa 16%, zodat appellant gedaagde terecht heeft ingedeeld in de arbeidsongeschikt- heidsklasse 15 tot 25%.

De Raad merkt ten slotte nog op wat betreft de zogeheten uitlooptermijn van oordeel te zijn dat in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van -in hoger beroep niet in geding zijnde- herziening van een WAO-uitkering naar een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage over een afgesloten periode en de aansluitende herziening naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse over eveneens een afgesloten periode in hetzelfde besluit wordt medegedeeld, aan betrokkene de voor hem bestaande arbeidsmogelijkheden niet tevoren behoeven te worden medegedeeld en dat evenmin een termijn behoeft te worden gegund om zich op de veranderde omstandigheden in te stellen.

Op grond van het vorenstaande beantwoordt de Raad de in geding zijnde vraag, anders dan de rechtbank heeft gedaan, bevestigend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten en het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep voor zover dat geacht kan worden gericht te zijn tegen het bestreden besluit van 7 februari 2001, voor zover daarbij per 14 januari 1998 de WAO-uitkering van gedaagde is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.