Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO0416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
01/4652 WAO, 02/3840 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anti-cumulatie bij uitbreiding werkzaamheden als zelfstandige na intreden arbeidsongeschiktheid voor loondienstfunctie.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4652 + 02/3840 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M. van Dijen, destijds werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 juli 2001, nummer AWB 2000/733 WAO Z, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 10 oktober 2003 heeft mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2003, waar partijen, zoals tevoren was bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant heeft in loondienst gewerkt in een voltijds dienstverband als storingsmonteur. Ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid in 1997 werkte hij ook nog 15 uur per week als zelfstandig exploitant van een hondenschool.

Vanwege nek- en armklachten heeft appellant zijn werk als storingsmonteur moeten stoppen. Partijen zijn het erover eens en ook de Raad gaat ervan uit dat appellant dat werk vanwege ziekte of gebrek niet meer kan doen.

In verband daarmee is aan appellant met ingang van 15 juli 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Inmiddels had appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige uitgebreid tot 35 uur per week. De verdiensten uit die werkzaamheden hebben gedaagde aanleiding gegeven om een korting op de uitkering ingevolge de WAO toe te passen met toepassing van het bepaalde in artikel 44 van die wet.

Bij besluit van 1 november 1999 heeft gedaagde besloten om vanaf 15 juli 1998 met toepassing van het bepaalde bij en krachtens genoemd artikel de uitkering ingevolge de WAO uit te betalen alsof appellant voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt is.

Appellant heeft onder meer tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 mei 2000, verder het bestreden besluit, heeft gedaagde onder meer het bezwaar tegen het besluit van 1 november 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten.

In hoger beroep zijn uitsluitend grieven tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring bij het bestreden besluit van de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 november 1999. Namens appellant is aangevoerd dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld en dat toepassing van artikel 44 van de WAO niet met terugwerkende kracht tot 15 juli 1998 had mogen plaats vinden bij besluit van 1 november 1999.

In hoger beroep is door gedaagde alsnog het standpunt ingenomen dat bij de vaststelling van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in verband met de toepassing van artikel 44 van de WAO ten onrechte alle inkomsten als zelfstandige van appellant zijn betrokken.

Bij besluit van 18 juli 2002 heeft gedaagde het bestreden besluit in zoverre gewijzigd dat voor de toepassing van het kortingsartikel de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 15 juli 1998 tot 1 januari 1999 alsnog wordt vastgesteld op

65 tot 80%. Vanaf 1 januari 1999 wordt geen korting op de uitkering meer toegepast.

Met betrekking tot het ingestelde hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring bij het bestreden besluit van de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 november 1999.

Voorts is met het besluit van 18 juli 2002 wijziging gebracht in het bestreden besluit. Nu het besluit van 18 juli 2002 niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

Voorts blijkt uit het voorafgaande dat gedaagde het in het bestreden besluit ingenomen standpunt met betrekking tot de korting op de uitkering vanaf 15 juli 1998 niet langer handhaaft. Hierdoor kan het bestreden besluit in zoverre geacht worden te zijn ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

In zijn brief van 10 oktober 2003 heeft mr. Ammerlaan een dergelijk verzoek gedaan zodat het procesbelang niet is komen te vervallen.

De Raad zal derhalve de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring bij het bestreden besluit van de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 november 1999, alsmede het bestreden besluit in zoverre, vernietigen.

Met betrekking tot het beroep gericht tegen het besluit van 18 juli 2002 overweegt de Raad het volgende.

Uit de door gedaagde in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat met betrekking tot de toe te passen korting op de uitkering ingevolge de WAO nu als volgt is gehandeld.

Als maatmaninkomen is genomen het bruto jaarinkomen van de valide storingsmonteur op 15 juli 1998. Dit komt de Raad juist voor nu het hier gaat om de toepassing van de WAO en werkzaamheden als zelfstandige niet verzekerd zijn ingevolge die wet. Vervolgens is daarvan een evenredig deel, namelijk hetgeen van 15 juli 1998 tot en met 31 december 1998 zou zijn verdiend, in aanmerking genomen.

Voorts zijn alleen de inkomsten, die voortkomen uit de uitbreiding van de werkzaamheden als zelfstandige na het intreden van de arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen. Dat uitgangspunt komt de Raad juist voor.

Ook de wijze van berekening van die inkomsten acht de Raad juist. De arbeidsdeskundige heeft eerst een evenredig deel van de jaarwinst toegerekend aan de periode van 15 juli 1998 tot en met 31 december 1998. Van dat bedrag heeft hij 20/35 deel genomen om dusdoende uitsluitend de verdiensten in verband met de urenuitbreiding als zelfstandige in aanmerking te nemen.

De fictieve mate van arbeidsongeschiktheid is vervolgens vastgesteld door het hiervoor vastgestelde maatmaninkomen af te zetten tegen genoemde verdiensten.

Dat levert, onbetwist, een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% op, zodat het besluit van 18 juli 2002 naar

's Raads oordeel een juiste toepassing van artikel 44 van de WAO inhoudt.

Met betrekking tot de grief over de terugwerkende kracht die gegeven is aan de toepassing van de korting overweegt de Raad dat deze grief geen doel treft.

In vaste jurisprudentie heeft de Raad al eerder overwogen dat de uitkeringsgerechtigde die inkomsten uit eigen bedrijf heeft, welke inkomsten noodzakelijkerwijs eerst na afloop van het betrokken boekjaar kunnen worden vastgesteld, te allen tijde rekening behoort te houden met de mogelijkheid dat die inkomsten hoger blijken uit te vallen dan evenredig is aan de bestaande mate van arbeidsgeschiktheid.

Dat is ook hier het geval, zodat gedaagde in november 1999 met terugwerkende kracht alsnog tot toepassing van de kortingsbepalingen over het hiervoor vermelde, in 1998 gelegen, tijdvak kon overgaan.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gericht tegen het besluit van 18 juli 2002 ongegrond moet worden verklaard.

Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding bestaande uit de rente over ten onrechte niet genoten uitkering overweegt de Raad dat appellant over het hier aan de orde zijnde tijdvak uitkering ingevolge de WAO heeft ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat uit de gedingstukken niet duidelijk blijkt of de bij een besluit van 4 november 1999 teruggevorderde onverschuldigd betaalde uitkering daadwerkelijk is verrekend of dat appellant die uitkering heeft terugbetaald.

Alleen als er inmiddels uitkering is verrekend of terugbetaald kan er sprake zijn van door het vernietigde bestreden besluit veroorzaakte schade.

De Raad is dan ook van oordeel dat het verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad, gezien het vorenstaande, onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal gedaagde indien hij een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Indien gedaagde mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit, zal hij ter zake een zelfstandig besluit dienen te nemen.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring bij het bestreden besluit van de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 november 1999, alsmede het bestreden besluit in zoverre;

Verklaart het beroep, voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 18 juli 2002 ongegrond;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.