Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO0379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
02/1473 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag hoofdagent vanwege ongeschiktheid voor de functie, anders dan op grond van ziekte en/of gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/1473 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 21 januari 2002, nr. AWB 01/600, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Namens appellant en gedaagde zijn nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 oktober 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.F. Govers, advocaat te Amsterdam.

II. MOTIVERING

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, kort weergegeven, feiten en omstandigheden.

1.1. Eind 1999 is een intern disciplinair onderzoek in gang gezet naar de gedragingen van gedaagde, die vanaf ongeveer 1990 als hoofdagent werkzaam was.

1.2. Uit het rapport van dat onderzoek blijkt dat, nadat in juli-augustus 1999 de relatie van gedaagde met een vrouwelijke collega (hierna: R.) door R. beëindigd was, gedaagde deze R., tegen haar wens in, voortdurend bleef benaderen, volgen en bestoken met kaarten, e-mails en telefoontjes. Nadat onder meer tijdens diensttijd en in de aanwezig-heid van publiek een aantal incidenten had plaatsgevonden, waarna werd besloten R. onder (politie)bescherming naar huis te brengen na afloop van haar nachtdiensten, is gedaagde in september 1999 schriftelijk door de korpsleiding gewaarschuwd en is hij met ingang van 1 oktober 1999 overgeplaatst naar een ander bureau. Omdat gedaagde R. bleef lastig vallen is hij met ingang van 18 oktober 1999 met buitengewoon verlof gestuurd met de opdracht zich ter beschikking te houden van de bedrijfsarts. De korpsleiding heeft gedaagde op dat moment ook te verstaan gegeven dat een ontslagprocedure zou worden opgestart indien hij niet zou ophouden R. te stalken. Ook gedurende zijn verlof is gedaagde R. dusdanig blijven lastig vallen, dat R. met hulp van de korpsleiding een advocaat heeft ingeschakeld teneinde gerechtelijke stappen tegen gedaagde te ondernemen.

1.3. Op 10 februari 2000 rapporteerde bedrijfsarts G. aan appellant dat er bij gedaagde geen sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek, maar van een arbeidsconflict als gevolg waarvan gedaagde spanningsklachten ondervond. Voor deze klachten stond hij al reeds geruime tijd onder behandeling van korpspsycholoog H.

1.4. Nadat appellant gedaagde in kennis had gesteld van het voornemen hem te ontslaan op de grond dat hij, door langdurig op stelselmatige en zeer ernstige wijze inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van R., blijk had gegeven van ongeschiktheid voor de functie van hoofdagent, anders dan op grond van ziekte en/of gebreken, heeft gedaagde onder meer gewezen op zijn overspannenheid en de daaruit voortvloeiende labiliteit die hij ondervond als gevolg van het feit dat zijn vader in de loop van 1999 ernstig ziek was geworden en eind 1999 was overleden.

1.5. Nadat uit de 'rapportage verzuimbegeleiding' van de bedrijfsarts bleek dat gedaagde met ingang van 20 juni 2000 weer volledig arbeidsgeschikt verklaard was, tegen welk advies door gedaagde op de voet van artikel 51, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bedenkingen zijn geuit, heeft appellant gedaagde met ingang van 1 oktober 2000 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.6. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door appellant bij het bestreden besluit van 17 april 2001 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen omtrent de proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat appellant ten onrechte had nagelaten om conform het bepaalde in het derde lid van artikel 51 van het Barp door een commissie van drie artsen een hernieuwd onderzoek in te laten stellen naar de arbeidsgeschiktheid van gedaagde.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Het standpunt van appellant dat gedaagde zich gedurende langere tijd schuldig heeft gemaakt aan het veelvuldig en in ernstige mate - soms zelfs op een bedreigende wijze - inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van R. zoals hiervoor in 1.2 weergegeven, vindt genoegzaam steun in de stukken. Dat deze handelwijze, zoals gedaagde stelt, in hoofdzaak werd ingegeven door zijn wens R. ertoe te bewegen om samen met hem tot een oplossing voor het ontstane arbeidsconflict te komen acht de Raad in geen enkel opzicht een verontschuldiging. Gedaagde is met dit gedrag doorgegaan ook nadat appellant hem daarop een en andermaal had aangesproken. De Raad volgt appellant dan ook in de stelling dat het hiervoor omschreven gedrag gedaagde ongeschikt maakte voor zijn functie van hoofdagent bij de politieregio.

3.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen - bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 25 februari 1999, TAR 1999, 71 - is onderzoek naar het bestaan van een eventuele medische oorzaak van de ongeschiktheid aangewezen in die gevallen waarin aan-wijzingen voorhanden zijn dat de ongeschiktheid van een ambtenaar (mede) voortkomt uit of samenhangt met een ziekte of gebrek of waarin gerede twijfel bestaat of het onvoldoende functioneren van een ambtenaar wordt veroorzaakt door eigenschappen van karakter, geest of gemoed dan wel door ziekte of gebreken. De omstandigheid dat maandenlang sprake was geweest van ziekteverzuim in verband met spanningsklachten, waarvoor gedaagde ook onder behandeling stond van de politiepsycholoog, had - nu gedaagde tijdig bedenkingen had geuit tegen zijn arbeidsgeschiktverklaring per 20 juni 2000 - door appellant moeten worden aangemerkt als een aanwijzing dat wellicht de ongeschiktheid van gedaagde (mede) voortkwam uit of samenhing met een ziekte of gebrek. Voor het instellen van een nader onderzoek daarnaar bestond te meer aanleiding nu niet blijkt dat de bedrijfsarts, alvorens tot de arbeidsgeschiktverklaring over te gaan, de politie-psycholoog of de huisarts van gedaagde had geraadpleegd. De Raad is derhalve

- wat er verder zij van de in de aangevallen uitspraak gevolgde redenering - met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze is voorbereid en aldus in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.

4. Op basis van de in hoger beroep beschikbaar gekomen nadere gegevens ziet de Raad aanleiding tot een verdergaande inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit dan door de rechtbank is gegeven.

4.1. Gedaagde heeft aan de Raad een rapport overgelegd van de door hemzelf ingeschakelde psychiater J. Dutilh. Uit dit rapport, gedateerd 9 oktober 2003, komt naar voren dat deze psychiater bij gedaagde geen psychiatrische symptomatologie heeft kunnen vaststellen, ook niet retrospectief. Er is wel sprake van klachten over slecht slapen en een wisselend sombere stemming, maar gedaagde beschikt en beschikte over een normale gewetensfunctie en de psychiater kan geen aanwijzingen vinden voor een falende impulscontrole wat betreft agressie of op relationeel of sexueel gebied. Over de periode waarin gedaagde R. lastig viel concludeert de psychiater onder meer: "Er waren toen geen stoornissen, ziekte of gebrek. Wel een emotionele overbelasting waarmee hij zich ten onrechte niet ziek meldde.".

4.2. De Raad ziet de conclusie van dit psychiatrisch rapport bevestigd in het naar aan-leiding van de aangevallen uitspraak inmiddels opgemaakte verslag van de commissie van drie artsen als bedoeld in artikel 51 van het Barp. Hieruit komt naar voren dat er ten tijde van de hersteldverklaring van 20 juni 2000 sprake was van een surmenage-beeld zonder een onderliggende persoonlijkheidsstoornis en dat de klachten van gedaagde, hoewel geen volledige arbeidsongeschiktheid veroorzakend, hem op die datum wel ongeschikt maakten voor zijn functie van hoofdagent, gelet op de daarbij behorende taken en bevoegdheden.

4.3. Nu de resultaten van de hiervoor in 4.1. en 4.2. genoemde medische onderzoeken naar een eventuele medische oorzaak van gedaagdes disfunctioneren feitelijk een bevestiging vormen van de mening van de bedrijfsarts(en) destijds en tevens in overeen-stemming zijn met hetgeen door de eerdergenoemde politiepsycholoog in zijn rapport van 6 juni 2002 is gesteld, kan de Raad niet anders dan thans tot het oordeel komen dat gedaagde in de litigieuze periode, behoudens dat hij stressgerelateerde spanningsklachten ondervond, niet lijdende was aan een ziekelijke stoornis of geestelijk gebrek waardoor zijn disfunctioneren en de daaruit voortvloeiende ongeschiktheid voor zijn functie werd veroorzaakt. Die ongeschiktheid werd veroorzaakt door de omstandigheid dat gedaagde niet beschikte over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die zijn vereist voor het op goede wijze vervullen van zijn functie.

4.4. In hetgeen van de zijde van gedaagde is aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen niet in redelijkheid gebruik kon maken van zijn bevoegdheid gedaagde te ontslaan. De arbeidsongeschiktheid van gedaagde staat op zichzelf niet aan het ontslag in de weg. Dat gedaagde, volgens zijn verklaring, tot augustus 1999 goed heeft gefunctio-neerd in zijn functie van hoofdagent staat in geen verhouding tot de bezwaren die voor appellant zijn verbonden aan voortzetting van de dienstbetrekking, in aanmerking genomen de ernst van de door gedaagde gepleegde feiten en de mate waarin hij daarmee beslag heeft gelegd op tijd en middelen van de dienst.

5. Op grond van het vorenoverwogene zal de Raad er dan ook toe overgaan de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad terecht is vernietigd, te bevestigen behoudens voor zover daarbij aan appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Anders dan de rechtbank ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en € 609,23 aan kosten voor het rapport van de deskundige.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit zal nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 1.253,23, te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.G.J. Broekhuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 december 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) E.G.J. Broekhuizen.

HD

18.11

Q