Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO0341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
18-12-2003
Zaaknummer
01/1268 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig verblijf in Nederland; is weigering WW-uitkering strijdig met regels van internationaal of supranationaal recht?

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1268 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op de bij het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 9 februari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Desgevraagd heeft appellant bij brief van 4 juni 2003 zijn standpunt nader toelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 september 2003, waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.E.M. Later, advocaat te 's-Gravenhage. Aldaar heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door mr. A.A.W. Zebregs, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloos- heidswet (WW), de Vreemdelingenwet (Vw) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad ontleent aan de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende van belang zijnde gegevens.

Gedaagde, van Turkse nationaliteit, is op 29 augustus 1990 Nederland binnengekomen. Op 1 juli 1998 was gedaagde niet in procedure met betrekking tot zijn verblijfsstatus. Hij heeft op 17 december 1998 een verzoek om een vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 1 februari 1999 is dit verzoek afgewezen. Bij brief van 28 februari 1999 is namens gedaagde tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is verzocht dit besluit te heroverwegen. Dit verzoek om heroverweging is vervolgens aangemerkt als een verzoek in de zin van de zgn. Tijdelijke regeling witte illegalen. Bij besluit van 4 februari 2000 is op grond van deze regeling aan gedaagde een vergunning tot verblijf verleend met ingang van 1 oktober 1999.

Sedert 1994 is gedaagde werkzaam geweest als agrarisch medewerker in losse dienstverbanden. Volgens eigen opgave heeft hij onder meer gewerkt tot en met 15 juni 1998, van 6 juli 1998 tot en met 6 november 1998 en vanaf 6 januari 1999. In verband met deelname aan een hongerstaking heeft hij op 6 maart 1999 deze werkzaamheden beëindigd. Gedaagde heeft in verband hiermee bij appellant een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de WW per 9 maart 1999.

Bij besluit van 6 augustus 1999 heeft appellant die aanvraag afgewezen op de grond dat gedaagde niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van de WW en geen arbeid verricht welke in overeenstemming is met de Wet arbeid vreemdelingen. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is door appellant bij besluit van 27 april 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens gedaagde tegen dit besluit van 27 april 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inacht- neming van haar uitspraak. Tevens zijn beslissingen genomen ter zake van griffierecht en proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 27 april 2000 strijdig met (het discriminatieverbod van) artikel 3, eerste lid, van het Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EG-Turkije van 19 september 1980 (hierna: Besluit 3/80).

In hoger beroep is dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Vast staat en niet in geschil is dat gedaagde ten tijde hier van belang niet rechtmatig in Nederland verbleef ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw. Vast staat verder dat gedaagde in deze periode heeft gewerkt zonder dat zijn werkgever in het bezit was van een ten behoeve van hem afgegeven tewerkstellingsvergunning. Gelet op het in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels is gedaagde daarom niet aan te merken als werknemer in de zin van de WW en heeft hij op grond daarvan geen recht op een uitkering ingevolge die wet.

Ter beoordeling staat derhalve of de weigering van gedaagdes uitkering als strijdig met regels van internationaal of supranationaal recht kan worden bestempeld.

Anders dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend. Hij verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 26 juni 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186. In die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het IVBPR tot uitdrukking gebracht dat het uitgangs- punt van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een beschikking ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten. De Raad ziet ook geen plaats voor het oordeel dat de Koppelingswet in strijd zou zijn met het discriminatieverbod van artikel 3 van het Besluit 3/80, al aangenomen dat deze regeling van toepassing zou zijn op niet door middel van een verblijfstitel toegelaten Turkse onderdanen. De Raad heeft voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de werknemersverzekeringen in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.

Gedaagde heeft op 17 december 1998 een aanvraag ingediend om toelating in Nederland. Hij behoort daarmee tot de categorie vreemdelingen die op of na 1 juli 1998 om toelating heeft verzocht en voor wie blijkens de hiervoor vermelde uitspraken de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving ten volle opgaat. Dit betekent dat de afwijzing door appellant van gedaagdes aanvraag om uitkering ingevolge de WW met ingang van 9 maart 1999 niet als strijdig met artikel 26 van het IVBPR of artikel 3 van het Besluit 3/80 kan worden bestempeld. Nu evenmin is gebleken dat gedaagde ten tijde van belang aan een andere regel van internationaal of supranationaal recht aanspraak op uitkering kon ontlenen, heeft appellant de aanvraag om WW-uitkering van gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht afgewezen.

Op grond van het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.