Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AO0241

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
18-12-2003
Zaaknummer
01/1865 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering. Opleggen van maatregel in verband met benadelingshandeling als sanctie op ontslagname.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/10 met annotatie van A. Damsteegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1865 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. N.E. Koetsier, advocaat te Alphen aan den Rijn, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 20 februari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 1 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. de Vries, kantoorgenote van mr. Koetsier, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Huijsmans, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheids- wet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Dat betekent dat in casu getoetst wordt aan de wet- en regelgeving, zoals die luidt na invoering van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (de Wet Boeten).

Appellant heeft, naast de uitkering ingevolge de WW die hem met ingang van 2 december 1991 is toegekend, vanaf 1992 seizoenwerkzaamheden verricht als schipper voor Rondvaartbedrijf [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf]) gevestigd te [vestigingsplaats]. In het in dit geding aan de orde zijnde jaar 1998 is appellant per 9 april bij [naam bedrijf] in dienst getreden als schipper gedurende gemiddeld 20 uur per week. Blijkens een brief van [naam bedrijf] aan appellant gedateerd 31 juli 1998 zou het seizoen dat jaar eind augustus eindigen.

Bij brief gedateerd 8 augustus 1998 heeft appellant zijn werkzaamheden met onmiddellijke ingang beëindigd, naar zijn zeggen naar aanleiding van een woordenwisseling op 16 juli daaraan voorafgaand, waarbij hem door [naam bedrijf] te verstaan is gegeven: "Vent, sodemieter op naar huis". Appellant heeft deze uitspraak opgevat als ontslag ingaande eind juli 1998.

Gedaagde heeft appellant bij besluit van 29 maart 1999 meegedeeld dat hij verwijtbaar werkloos is geworden aangezien hij zelf ontslag heeft genomen bij [naam bedrijf]. Derhalve wordt hem met ingang van 10 augustus 1999 (lees: 1998) een maatregel opgelegd in de vorm van een korting op de WW-uitkering van 35% gedurende 26 weken. Daar het dienstverband van appellant binnen drie maanden zou aflopen is volgens gedaagde sprake van een verminderde verwijtbaarheid.

Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 28 april 1999 een bedrag van f 3.762,76 (€ 1.707,47) van appellant teruggevorderd op de grond dat onverschuldigd WW-uitkering is uitbetaald over de periode van 10 augustus 1998 tot 15 februari 1999.

De bezwaren die appellant tegen bovengenoemde besluiten heeft aangevoerd, zijn door gedaagde bij het bestreden besluit van 22 september 1999 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel vernietigd voor zover daarbij aan appellant ingaande 10 augustus 1999 zijn WW-uitkering gedeeltelijk is geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding, met gebruikmaking van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) -voor zover het de maatregel betreft- te bepalen dat appellant met ingang van 10 augustus 1998 over een periode van 26 weken gedeeltelijk WW-uitkering wordt geweigerd door verlaging van het uitkeringspercentage van

70 naar 35 en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant het standpunt ingenomen primair dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid en subsidiair dat, zo de Raad zou oordelen dat er wel sprake is van verwijtbare werkloosheid, een benadelingshandeling ten grondslag had moeten worden gelegd aan de maatregel aangezien er geen enkel uitzicht bestond op voortzetting van de arbeidsovereenkomst na 31 augustus 1998. Daartoe is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 september 2000 (USZ 2000/298 en RSV 2001/5).

Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde aangegeven dat naar aanleiding van de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Raad interne richtlijnen zijn opgesteld die met zich brengen dat gedaagde zich thans aansluit bij het subsidiaire standpunt van appellant en van mening is dat in dit geval een maatregel in verband met het door appellant plegen van een benadelingshandeling de meest passende reactie op de ontslagname van appellant is. Dit betekent tevens dat, naar namens gedaagde is meegedeeld, de in het bestreden besluit opgelegde maatregel van de verlaging van de WW-uitkering tot 35% gedurende 26 weken niet langer wordt gehandhaafd.

Gelet op dit nadere standpunt van gedaagde, waarmee gedaagde te kennen geeft zich met het subsidiaire standpunt van appellant ten aanzien van de benadelingshandeling te kunnen verenigen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. In het midden latend of de in de hiervoor aangegeven uitspraak door de Raad aangegeven benadering, welke benadering, naar uit die uitspraak ook blijkt, slechts onder uitzonderlijke omstandigheden dient te worden toegepast, in het voorliggende geval voortvloeit uit meerbedoelde uitspraak, overweegt de Raad ter zake van het nadere standpunt van gedaagde nog het volgende. Het stellen van een benadelingshandeling is niet mogelijk indien iedere verwijtbaarheid zijdens appellant ten aanzien van het genomen ontslag ontbreekt. Daarvan is in casu geen sprake. Weliswaar is duidelijk dat de onderlinge verhoudingen tussen appellant en [naam bedrijf] danig verstoord waren, maar dat er sprake was van een onhoudbare situatie die appellant noopte tot de beëindiging van zijn dienstbetrekking voor het aflopen van zijn contract, is de Raad niet gebleken. Van dringende redenen die er toe noodzaakten dat gedaagde diende af te zien van het opleggen van een maatregel is de Raad evenmin gebleken.

Nu de wijziging van standpunt van gedaagde eveneens betekent dat de grondslag is ontvallen aan het besluit waarbij een bedrag van f 3.762,76 (€ 1.707,47) aan onverschuldigd betaalde WW is teruggevorderd, kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand blijven.

Gedaagde dient derhalve een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beide instanties. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak in zijn geheel evenals het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot € 644,-- en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van in totaal € 104,37

(f 60,-- + f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.