Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN9822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2003
Datum publicatie
15-12-2003
Zaaknummer
02/805 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvulling wachtgeld tot 100% van de laatstgenoten bezoldiging tot het moment dat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/805 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 december 2001, nr. AWB 00/6682 AW H V01 G17 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.M. van Kuijeren, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

II. MOTIVERING

1. De Raad neemt als vaststaande aan de feiten, die de rechtbank in rubriek 1 van de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

1.1. Aan het ontslag van appellant per 1 april 1997 uit zijn functie van [naam functie] bij de sector Natuur en Milieu van de gemeente Haarlem en de toekenning van wachtgeld met ingang van diezelfde datum zijn besprekingen tussen partijen voorafgegaan over een aanvullende financiële voorziening. In dat kader heeft gedaagde voorgesteld om het wachtgeld van appellant aan te vullen, en wel gedurende 18 maanden tot 100%, gedurende de daaropvolgende 3 maanden tot 90% en gedurende de daaropvolgende 9 maanden tot 80%, steeds uitgaande van het netto-salaris zoals dat geldt op het moment van het ontslag (laatstgenoten bezoldiging). Van de zijde van appellant is bij brief van 25 november 1996 een tegenvoorstel gedaan, waarbij - naast de hiervoor weergegeven aanvulling - sprake was van (een financiële compensatie ten behoeve van een) vrijwillige premiebetaling voor volledige pensioenopbouw. Blijkens een faxbericht van 3 december 1996 is gedaagde met dit tegenvoorstel akkoord gegaan, in die zin dat ten behoeve van de volledige opbouw van ouderdomspensioenrechten een bedrag zal worden betaald van bruto f 25.000,- (€ 11.344,51). Bij brief van 10 december 1996 is namens appellant geantwoord dat met dat laatste voorstel wordt ingestemd.

1.2. Bij besluit van 25 februari 1997 (het wachtgeldbesluit) is appellant, voorzover in dit geding van belang, vanaf 1 april 1998 tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een wachtgeld van 70% toegekend, alsmede, over diezelfde periode, een suppletie tot 100% van de laatstgenoten bezoldiging.

1.3. Met ingang van 1 oktober 1998 heeft gedaagde de uitbetaling van de aanvulling op het wachtgeld van appellant beëindigd. Bij brieven van 12 november 1998 en 16 juli 1999 heeft appellant gedaagde verzocht de aanvulling op het wachtgeld voort te zetten, en wel conform het wachtgeldbesluit van 25 februari 1997. Bij brief van 11 november 1999 van mr. Y.A.M. Michielsen, werkzaam bij de Utrechtse Juristen Groep, is dat verzoek nogmaals herhaald. Onder verwijzing naar het wachtgeldbesluit wordt in die laatste brief gesteld dat het wachtgeld van appellant dient te worden aangevuld tot 100% vanaf 1 april 1998 tot het moment dat appellant de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

1.4. Bij besluit van 19 november 1999 heeft gedaagde de verzoeken van appellant afgewezen. In dat besluit wordt onder meer het volgende opgemerkt: "Uit beide brieven, waarvan ik een kopie te uwer informatie bijsluit, blijkt duidelijk dat de aanvulling op het wachtgeld tot 100% van de bezoldiging zoals die gold ten tijde van het verleende ontslag (01-04-1997) betrekking had op een periode van totaal 18 maanden, te rekenen vanaf 1 april 1997, en niet, zoals u thans stelt op de totale periode van de wachtgeldbetaling.

De gemeente Haarlem acht zich gebonden aan de destijds in goed overleg met de heer Spanjaard en zijn raadsman gemaakte afspraken en zal die dan ook volledig nakomen. Ik verwacht van de heer Spanjaard hetzelfde."

1.5. Bij besluit van 30 mei 2000 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 november 1999 ongegrond verklaard.

2. Het beroep van appellant tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen door partijen is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Uit het besluit van 19 november 1999 blijkt dat gedaagde zich wil houden aan hetgeen tussen partijen, voorafgaande aan het nemen van het ontslagbesluit en het wachtgeldbesluit, is overeengekomen en dat gedaagde hetzelfde verwacht van appellant. Bij het bestreden besluit heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd.

3.2. Ter zitting van de Raad is namens gedaagde desgevraagd als nader standpunt te kennen gegeven dat de afspraak tussen partijen meebrengt dat het wachtgeld van appellant ook nog na 1 oktober 1998 dient te worden aangevuld. De afspraak behelsde immers een aanvulling tot 100% gedurende 18 maanden en vervolgens een afbouw van de aanvulling gedurende één jaar, en wel gedurende 3 maanden tot 90% en gedurende 9 maanden tot 80%.

3.3. De Raad acht dit nadere standpunt van gedaagde in overeenstemming met hetgeen, naar uit de gedingstukken blijkt, tussen partijen is afgesproken. Reeds gelet hierop, is hij van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden. Het bestreden besluit ontbeert een deugdelijke motivering en is derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.4. Met betrekking tot de stelling van appellant, dat gedaagde gehouden is zijn wachtgeld tot het moment dat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt aan te vullen tot 100% van zijn laatstgenoten bezoldiging, overweegt de Raad als volgt.

3.5. Het wachtgeldbesluit is, zo staat tussen partijen vast, niet in overeenstemming met hetgeen tussen partijen terzake van de aanvulling op het wachtgeld en de duur van die aanvulling is afgesproken. De Raad is van oordeel dat het hier een kennelijke onjuistheid van het wachtgeldbesluit betreft, in welk kader de Raad er op wijst dat de formulering van het wachtgeldbesluit niet alleen duidelijk afwijkt van de gemaakte afspraak maar tevens een aanvulling tot 100% van de laatstgenoten bezoldiging impliceert van de ontslagdatum tot het moment waarop appellant de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, hetgeen neerkomt op een periode van meer dan 8 jaar. Ook appellant heeft ter zitting van de Raad erkend dat de inhoud van het wachtgeldbesluit hem, gelet op de gemaakte afspraak, had verrast maar dat hij daarin geen aanleiding heeft gezien om omtrent die formulering bij gedaagde opheldering te verkrijgen.

3.6. Zoals de Raad vaker heeft overwogen, is een bestuursorgaan niet gehouden aan een kennelijk onjuist besluit onverkort uitvoering te geven, maar komt aan een bestuurs-orgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel (zie onder andere CRvB 19 juli 2001, TAR 2001, 141). Hiervan uitgaande, kan de Raad zich niet stellen achter het betoog van appellant dat gedaagde zou zijn gehouden diens wachtgeld aan te vullen tot 100% van de laatstgenoten bezoldiging tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

3.7. Gelet op het vorenoverwogene komen de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 november 1999 dienen te nemen en zal daarbij in acht dienen te nemen hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen.

4. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de Raad geen termen aanwezig, daar niet is gebleken van proceskosten die krachtens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt gedaagde op met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de gemeente Haarlem aan appellant het betaalde griffierecht in beroep (f 60,-) en in hoger beroep (€ 165,-), totaal € 192,23, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. H. Bolt als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) L. Karssenberg.

HD

17.11