Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN9752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2003
Datum publicatie
09-12-2003
Zaaknummer
02/3970 WSF, 02/3992 WSF, 02/4056 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomen over het jaar 1997, opgelegd bij besluit van 26 juli 2001. Welk recht is van toepassing: de WSF dan wel de Wsf 2000?

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 26
Wet studiefinanciering 2000 3.17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3970 WSF

02/3992 WSF en 02/4056 WSF

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante, tevens gedaagde, hierna te noemen: appellante,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, tevens appellant, hierna te noemen: gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij besluit van 26 juli 2001 heeft appellante vastgesteld dat gedaagde in het jaar 1997 meerinkomen heeft gehad in verband waarmee hij een bedrag van € 518,21 (f 1.141, 98) aan de Informatie Beheer Groep verschuldigd is.

Bij besluit van 24 oktober 2001 heeft appellante het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 26 juli 2001 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2002 heeft de rechtbank Utrecht het tegen het besluit van 24 oktober 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak en een aanvullende beslissing inzake vergoeding van griffierecht gegeven.

Bij nader besluit op bezwaar van 24 juli 2002 heeft appellante uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Bij dit besluit is gemotiveerd aangegeven dat, en waarom, de vordering wegens meerinkomen over 1997 wordt gehandhaafd op het boetebedrag genoemd in het vernietigde besluit op bezwaar van 24 oktober 2001.

Appellante heeft op bij beroepschrift van 25 juli 2002 (met bijlagen) aangevoerde gronden tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Ook gedaagde heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op bij beroepschrift van 30 juli 2002 (met bijlagen) aangevoerde gronden.

Appellante en gedaagde hebben een verweerschrift ingediend, beide gedateerd

3 september 2002.

Gedaagde heeft voorts bij schrijven van 3 september 2002 uiteengezet welke grieven hij heeft tegen het nadere besluit op bezwaar van 24 juli 2002.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 juni 2003, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.H.A. van de Berg, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, en waar gedaagde in persoon is verschenen.

II. MOTIVERING

Partijen verschillen van mening over de vraag of de aan gedaagde opgelegde vordering wegens meerinkomen over het jaar 1997 bestaande in een boete van € 518,21, in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat appellante in het hier aan de orde zijnde studiefinancieringstijdvak, het jaar 1997, bevoegd was aan gedaagde een vordering wegens meerinkomen op te leggen op grond van het bepaalde in artikel 26, zesde lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF). Artikel 3.17, zevende lid, van de -op 1 september 2000 in werking getreden- Wet studiefinanciering 2000 biedt na evengenoemde datum de grondslag voor deze bevoegdheid. De Raad stelt vervolgens vast dat de onderhavige vordering wegens meerinkomen ten materiële, nu op dit specifieke punt overgangsrecht ontbreekt, moet worden beoordeeld naar de gedurende het desbetreffende studiefinancieringstijdvak geldende voorschriften.

Het vorenstaande brengt mee dat de aan gedaagde opgelegde vordering wegens meerinkomen over het jaar 1997 ten materiële moet worden getoetst aan artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF en niet -zoals appellante en de rechtbank hebben gedaan- aan artikel 3.17, zevende lid, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000. Nu appellante de vordering wegens meerinkomen heeft gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag en de rechtbank aan de verkeerde wettelijke bepaling heeft getoetst, komen het besluit van 24 oktober 2001 en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking en dient het inleidend beroep gegrond te worden verklaard.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven, beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad ziet namelijk grond voor het oordeel dat toepassing van het juiste wettelijk regime, artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF en de dienaangaande gevormde jurisprudentie, tot hetzelfde resultaat leidt als neergelegd in het besluit van 24 oktober 2001 en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van gedaagdes grief dat er geen grondslag voor de opgelegde vordering bestaat omdat de wetgever omtrent de nullening in combinatie met een OV-studentenkaart niets heeft geregeld, overweegt de Raad als volgt.

Indien niet langer recht op een basisbeurs bestaat, voorziet de WSF in de mogelijkheid studiefinanciering te verstrekken in de vorm van een lening met daaraan gekoppeld een OV-studentenkaart. Indien vervolgens geen gebruik wordt gemaakt van de geboden leningsfaciliteit, de zogeheten nullening, maar wel van de OV-studentenkaart, betekent dit niet dat geen studiefinanciering is verstrekt.

Voor de beoordeling van de vraag of de aan gedaagde opgelegde vordering wegens meerinkomen over het jaar 1997 gebaseerd op artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF ten bedrage van € 518,21, in rechte stand kan houden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 7 februari 2003, gepubliceerd in USZ 2003/114 en RSV 2003/90.

In deze uitspraak heeft de Raad als zijn oordeel te kennen gegeven dat de vordering wegens meerinkomen gebaseerd op onderdeel b van het zesde lid van artikel 26 van de WSF gelet op haar aard en zwaarte is te kwalificeren als een punitieve sanctie en daarmee als een "criminal charge" in de zin van artikel 6 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad heeft verder in die uitspraak uiteengezet dat de sanctie ingevolge artikel 26, zesde lid, aanhef en sub b, van de WSF in veel gevallen als onevenredig is aan te merken in verhouding tot de gedraging op grond waarvan zij is opgelegd, in verband waarmee appellante terecht deze uit de wet voortvloeiende sanctie buiten toepassing heeft gelaten.

De Raad heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 7 februari 2003 bovendien als zijn oordeel te kennen gegeven dat door het wegnemen van het -achteraf bezien materieel ten onrechte genoten- voordeel van het gebruik van de OV-studentenkaart, welk voordeel wordt gesteld op de waarde die de OV-bedrijven voor de kaart aan de minister in rekening brengen, over de maanden van het desbetreffende studiefinancieringstijdvak waarin de studerende de OV-kaart feitelijk in bezit heeft gehad, bereikt wordt dat de sanctie gebaseerd op het door appellante gevoerde beleid inzake de toepassing van artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding.

Het vorenstaande brengt mee dat een vordering van € 518,21 bij wijze van boete in dit geval naar het oordeel van de Raad in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de normoverschrijding.

Voorts is niet gebleken dat gedaagde geen enkele schuld treft ten aanzien van het overtreden van de norm zodat niet op grond van afwezigheid van alle schuld geen sanctie zou behoren te worden opgelegd. De Raad overweegt in dit verband dat niet is gesteld noch is gebleken dat van de zijde van appellante onjuiste informatie is verstrekt betreffende de situatie van een nullening in combinatie met een OV-kaart. De Raad merkt voorts op dat onbekendheid met de regelgeving geen disculperende omstandigheid vormt.

De Raad acht onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat appellante niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om in dit geval toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Gedaagde heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij, gelet op zijn gezinsomstandigheden, wel moest bijverdienen. De Raad acht dit plausibel maar vermag niet in te zien dat dit gegeven een beletsel vormde voor het opleggen van de vordering op grond van artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de WSF. Gedaagde had bij het bereiken van de bijverdiengrens zijn studiefinanciering kunnen stopzetten of had ervoor kunnen kiezen gebruik te maken van de leningsfaciliteit zodra zijn inkomsten de bijverdiengrens bereikt hadden.

Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden geoordeeld dat de aan gedaagde opgelegde vordering in rechte stand kan houden, zodat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 24 oktober 2001 geheel in stand dienen te blijven.

Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak en het in stand laten van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 24 oktober 2001, ontvalt de grondslag aan het nadere ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven besluit van

24 juli 2002, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over de vergoeding van griffierecht is beslist;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 oktober 2001;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 oktober 2001 in stand blijven;

Vernietigt het nadere besluit van 24 juli 2002;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan gedaagde het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2003.

(get.) H. Bolt.

(get.) A.C.W. van Huussen.

CVG