Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN9469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2003
Datum publicatie
16-12-2003
Zaaknummer
02/4636 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Erkenning als burgeroorlogsslachtoffer? Tewerkstelling bij de Nederlandse arbeidsdienst .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4636 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 31 juli 2002, kenmerk JZ/G/2002/507, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, namens eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich niet met dit besluit kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 september 2003, waar voor eiser is verschenen mr. Van Berkel, voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiser, geboren in 1925, heeft in juni 2000 een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en toekenning van een periodieke uitkering alsmede diverse voorzieningen. Hij heeft zijn aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan hetgeen hij heeft meegemaakt in de tweede wereldoorlog.

In dit verband heeft hij, kort samengevat, erop gewezen dat hij:

1. verplicht tewerk is gesteld in de Onzalige Bossen bij Velp;

2. gevangen is genomen door de SD en de Grune Polizei;

3. verplicht tewerk is gesteld in een N.A.D.-kamp te Winterswijk.

Bij besluit van 20 mei 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster eisers aanvraag afgewezen op de grond dat ten aanzien van de eerste twee gebeurtenissen, buiten de eigen verklaring van eiser, geen bevestiging is verkregen en dat verweerster ten aanzien van de derde gebeurtenis van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is geweest van een maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b van de Wet.

Tegen het bestreden besluit is namens eiser in beroep aangevoerd dat zijn tewerkstelling bij de Nederlandse arbeidsdienst (N.A.D.) een verplicht karakter had en derhalve wel is voldaan aan artikel 2, eerste lid, aanhef en sub b van de Wet.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet wordt voor de toepassing van de Wet onder burger- oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen door of in verband met handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende machten tegen hem werden gericht, ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden of is overleden. Gelet hierop dient allereerst te worden vastgesteld of er ten aanzien van eiser sprake is geweest van handelingen of maatregelen in vorenbedoelde zin.

Niet in geschil is dat eiser, gelet op zijn geboortejaar, in het kader van de zogenoemde jaarklassenacties is opgeroepen voor verplichte dienstneming bij de N.A.D. en daar van begin januari 1944 tot juli 1944 werkzaam is geweest.

De N.A.D. is blijkens voorhanden historische gegevens in 1941 ontstaan uit de reeds voor de tweede wereldoorlog bestaande Opbouwdienst waarbij het voornaamste motief voor de oprichting was gelegen in een sociale dienstplicht, te weten het bij elkaar brengen van jonge mensen om sociaal nuttige taken te vervullen.

In de loop der tijd heeft de N.A.D. weliswaar steeds meer nationaal-socialistische oogmerken gekregen maar desondanks is de sociale dienstplicht voorop blijven staan. De werkzaamheden die werden verricht bestonden met name uit landontginning, wegen-aanleg en aardappelrooien. Met verweerster is de Raad van oordeel dat van deze werkzaamheden niet kan worden gezegd dat ze verband hielden met oorlogsverrichtingen noch dat de bezetter vanuit bezettingsoogpunt een direct belang bij die werkzaamheden had.

Eerst sedert september 1944, toen het dienstverband van eiser reeds was beëindigd, is de organisatie en de aard van de werkzaamheden veranderd in de zin dat het accent kwam te liggen op het, in het kader van de Reichsarbeidsdienst, gedwongen aanleggen van verdedigingswerken.

Nu de Raad niet is gebleken dat, ten tijde hier van belang, de tewerkstelling bij de N.A.D. op zich een maatregel is geweest met als doel de betrokken personen vanuit een bezettingsoogmerk te treffen of te misbruiken, is het enkele feit dat eiser gehoor heeft gegeven aan een verplichte oproep voor dienstname naar het oordeel van de Raad onvoldoende om deze tewerkstelling als calamiteit in de zin van de Wet aan te merken.

Verweerster is, naar het oordeel van de Raad, dan ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de werkzaamheden die eiser bij de N.A.D. heeft verricht niet te zien zijn als het gevolg van een maatregel van de vijandelijke bezettende macht in de betekenis die artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet aan een dergelijke maatregel hecht.

De Raad komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat verweerster de aanvraag van eiser op basis van de gegevens die voorhanden waren op goede gronden heeft afgewezen, aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat eiser is getroffen door calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Het beroep van eiser moet derhalve ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2003.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) A. de Gooijer.