Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN9374

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
01/1535 AKW, 01/5048 AKW, 02/123 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag en de boete; belang bij separate beoordeling van oorspronkelijk besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet 7, geldigheid: 2003-11-12
Algemene Kinderbijslagwet 14a, geldigheid: 2003-11-12
Algemene Kinderbijslagwet 17c, geldigheid: 2003-11-12
Algemene Kinderbijslagwet 24b, geldigheid: 2003-11-12
Algemene Kinderbijslagwet 24, geldigheid: 2003-11-12
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 2003-11-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2004/31
JB 2004/30 met annotatie van C.L.G.F.H. A., R.J.N. S
AB 2004, 206

Uitspraak

01/1535, 01/5048 en 02/123 AKW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Namens appellant heeft mr. A.P van Elswijk, advocaat te Rotterdam, op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2001 (uitspraak 1), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft mr. Van Elswijk, voornoemd, namens appellant op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2001 (uitspraak 2).

Gedaagde heeft ter uitvoering van uitspraak 2 op 7 december 2001 een nieuw besluit op bezwaar genomen en een afschrift hiervan aan de Raad toegezonden.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 1 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S. Broekzitter-Nieuwland, werkzaam als juridisch medewerker bij het kantoor van mr. Van Elswijk, voornoemd, en waar namens gedaagde niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

Appellant ontving kinderbijslag voor zijn kinderen Hakima, geboren 8 augustus 1982, Najat, geboren 7 mei 1989, en Mohamed, geboren 1 april 1991. Bij brief van 11 maart 1999 heeft de echtgenote van appellant aan gedaagde laten weten dat appellant haar en de kinderen sinds 31 oktober 1997 niet onderhoudt. Zij voegde een vertaling bij van een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank te Al Hoceima van 24 februari 1998, waarin appellant werd veroordeeld tot het betalen van alimentatie ten behoeve van zijn echtgenote en zijn kinderen vanaf 31 oktober 1997 respectievelijk 11 november 1997. Dit vonnis was gewezen naar aanleiding van een verzoekschrift van de echtgenote waarin werd gesteld dat appellant zijn echtgenote en kinderen op 31 oktober 1997 uit zijn huis had verjaagd.

Bij brief van 11 mei 1999 heeft gedaagde aan appellant verzocht, bewijzen over te leggen van geleverde onder- houdsbijdragen gedurende het eerste kwartaal van 1998 tot en met het tweede kwartaal van 1999. Appellant heeft hierop te kennen gegeven dat hem van een eventuele scheiding niets bekend was en dat zijn echtgenote en kinderen bij hem thuis in Marokko woonden. Vervolgens heeft gedaagde de betaling van kinderbijslag aan appellant met ingang van het tweede kwartaal van 1999 geschorst.

Bij besluit van 10 december 1999 heeft gedaagde de aan appellant toegekende kinderbijslag van appellant over het eerste kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 ingetrokken, en hem over de periode hierna kinderbijslag geweigerd. Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat de kinderen uitwonend waren en dat appellant niet heeft aangetoond in belangrijke mate te hebben bijgedragen in hun levensonderhoud.

In een brief van eveneens 10 december 1999 heeft gedaagde laten weten voornemens te zijn het onverschuldigd betaalde bedrag van appellant terug te vorderen en hem een boete van fl. 1.200,= op te leggen. Gedaagde heeft daarbij aan appellant verzocht binnen zes weken een voorstel te doen inzake de wijze van betaling van de totale vordering van fl. 7.837,= en, als dit voorstel niet zou leiden tot betaling van de volledige vordering binnen een jaar, inkomensgegevens te verstrekken. Appellant heeft op deze brief niet gereageerd.

In bezwaar tegen het besluit van 10 december 1999 heeft appellant aangevoerd dat zijn kinderen altijd tot zijn huishouden zijn blijven behoren en dat hij hen steeds heeft onderhouden. Hij heeft hierbij een vonnis overgelegd van de rechtbank te

El Hoceima d.d. 23 juni 1998, waarin aan zijn echtgenote werd gelast naar de echtelijke woning terug te keren. Omdat appellant gedaagde steeds volledig zou hebben geïnformeerd zou terugvordering van een onverschuldigd betaald bedrag of oplegging van een boete niet aan de orde zijn.

Bij besluit van 15 juni 2000 (besluit 1) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december 1999 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 juni 2000 heeft gedaagde het onverschuldigd betaalde bedrag aan kinderbijslag van fl. 6.637,= teruggevorderd en een boete van fl. 1.200,= aan appellant opgelegd. Hierbij is aangegeven dat de totale vordering van

fl. 7.837,= diende te worden voldaan in twaalf maandelijkse termijnen van fl. 625,= en een termijn van fl. 337,=. Bij besluit van 7 november 2000 (besluit 2) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak 1 het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit het door appellant overgelegde vonnis van de rechtbank te Al Hoceima blijkt dat de echtgenote van appellant de echtelijke woning op 2 oktober 1997 heeft verlaten en dat zij in ieder geval op 23 juni 1998 nog niet was teruggekeerd, dat het appellant niet bekend is wanneer zij wel is teruggekeerd, dat er geen bewijzen zijn die duiden op een band van appellant met zijn gezin in Marokko, en dat appellant zelf heeft aangegeven zijn gezin sinds oktober of november 1997 niet meer te hebben gezien. Voorts heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn kinderen tijdens de kwartalen in geding in belangrijke mate heeft onderhouden. Appellant heeft immers geen bankafschriften overgelegd, de rekening waarop de kinderbijslag in Marokko is betaald staat niet op naam van zijn echtgenote, er is geen bewijs voor de stelling van appellant dat zijn neef in Marokko cheques zou hebben geïnd en het hiermee gemoeide bedrag aan de echtgenote van appellant zou hebben afgedragen, en de stelling dat deze neef een bedrag van fl. 10.000,= namens appellant aan diens echtgenote zou hebben overhandigd is onvoldoende specifiek en verifieerbaar.

Bij uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank oordeelde dat de terugvordering op goede gronden berust en dat gedaagde aan appellant terecht een boete heeft opgelegd. De rechtbank heeft echter onder ambtshalve toepassing van artikel 2, eerste lid, van het op 1 februari 2001 in werking getreden Boetebesluit socialezekerheidswetten vastgesteld dat de boete fl. 675,= dient te bedragen, hetgeen ook leidt tot een aanpassing van de vastgestelde wijze van invordering.

Bij besluit van 7 december 2001 (besluit 3) heeft gedaagde uitvoering gegeven aan uitspraak 2. Gedaagde heeft onder handhaving van de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de terugvordering de hoogte van de boete alsnog vastgesteld op een bedrag van fl. 675,= en bepaald dat de totale vordering ad fl. 7.312,= dient te worden voldaan in elf maandelijkse termijnen van fl. 625,= (€ 284,=) en één termijn van fl. 437,= (€ 199,=).

In hoger beroep tegen uitspraak 1 en uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat het feit dat zijn echtgenote de echtelijke woning tijdelijk heeft verlaten, geenszins de conclusie rechtvaardigt dat de gezinsband definitief is verbroken. Het zou voor appellant om financiële redenen niet mogelijk zijn om zijn gezin vaker te bezoeken. Voorts zou hij zijn kinderen altijd in belangrijke mate hebben onderhouden. Appellant zou derhalve recht op kinderbijslag hebben behouden, zodat er geen reden zou zijn voor terugvordering. Voorzover de kinderbijslag onverschuldigd zou zijn betaald zouden de omstandigheden van het geval een dringende reden opleveren om de terugvordering te matigen. Omdat appellant pas in een later stadium op de hoogte zou zijn geraakt van het feit dat zijn echtgenote de echtelijke woning had verlaten, zou hem niet te verwijten zijn dat hij deze omstandigheid niet eerder heeft gemeld, zodat de boete ten onrechte zou zijn opgelegd. Appellant acht zich voorts niet in staat de vordering van gedaagde in de aangegeven termijnen te voldoen.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van uitspraak 1

De werking van het primaire besluit van 10 december 1999, waarbij kinderbijslag is geweigerd op onder andere de grond dat appellant niet in de vereiste mate heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van zijn kinderen, moet worden geacht zich uit te strekken tot en met het derde kwartaal van 1999. Met betrekking tot het recht op kinderbijslag van appellant is tussen partijen derhalve in geschil of gedaagde op goede gronden de kinderbijslag van appellant over het eerste kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 heeft ingetrokken, en of gedaagde aan appellant terecht kinderbijslag heeft geweigerd over het tweede en derde kwartaal van 1999. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kinderen tot het huishouden van appellant behoorden en, als dit niet het geval is, of appellant in toereikende mate in hun levensonderhoud heeft bijgedragen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad ziet de term huishouden naar algemeen spraakgebruik en in de regel ook voor de toepassing van de AKW op de feitelijke situatie van gezamenlijk wonen. Indien in die situatie een - voorlopig - blijvende breuk is ontstaan, staat die eraan in de weg om nog van een huishouden te spreken. Ten aanzien van uit het buitenland afkomstige personen, die hun gezin achterlaten in het land van herkomst, kan onder omstandigheden worden aangenomen dat zij een huishouden met dat gezin zijn blijven vormen, waarvoor wel noodzakelijk is dat blijkt van regelmatig contact met dat gezin en ook dat het gezin (aantoonbaar) financieel wordt ondersteund door de betrokkene.

In het onderhavige geval is met het vertrek van de echtgenote van appellant uit de echtelijke woning in oktober 1997 een breuk met een vrij definitief karakter tussen appellant en zijn in Marokko verblijvende gezin ontstaan. Met de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden meent de Raad dat deze breuk in ieder geval gedurende de kwartalen in geding niet is geheeld. Dit betekent dat appellant, wil hij recht kunnen hebben op kinderbijslag over deze kwartalen, op voor gedaagde eenvoudig te controleren wijze dient aan te tonen dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat appellant hierin niet is geslaagd. Appellant had derhalve geen recht op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 1998 tot en met het derde kwartaal van 1999. Op grond van artikel 14a van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) was gedaagde gehouden de over het eerste kwartaal van 1998 tot en met het eerste kwartaal van 1999 ten onrechte verleende kinderbijslag in te trekken. Aan de Raad is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan gedaagde in dit geval niet of slechts gedeeltelijk tot intrekking had mogen overgaan. Gelet hierop komt uitspraak

1 voor bevestiging in aanmerking.

Ten aanzien van uitspraak 2

Hoewel de rechtbank besluit 2 integraal heeft vernietigd, en het beroep van appellant op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede dient te worden geacht te zijn gericht tegen het ter uitvoering hiervan genomen besluit 3 waarbij gedaagde niet volledig aan appellant tegemoet is gekomen, heeft appellant belang behouden bij een separate beoordeling van uitspraak 2. De rechtbank heeft in uitspraak 2 de beroepsgronden van appellant tegen de terugvordering door gedaagde van de onverschuldigd betaalde kinderbijslag immers uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Zonder een separate beoordeling van deze uitspraak door de Raad verwerft uitspraak 2 gezag van gewijsde, en moet de Raad bij de beoordeling van besluit 3 zonder meer uitgaan van de juistheid van het door de rechtbank gegeven oordeel over deze beroepsgronden.

Met betrekking tot uitspraak 2 oordeelt de Raad als volgt.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op goede gronden tot terugvordering is overgegaan. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de AKW is gedaagde gehouden de onverschuldigd betaalde kinderbijslag van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd vindt ook de Raad geen dringende reden op grond waarvan gedaagde terugvordering geheel of gedeeltelijk achterwege had moeten laten.

Eveneens kan de Raad zich verenigen met het oordeel van de rechtbank inzake de opgelegde boete. Evenmin als de rechtbank kan de Raad appellant volgen in zijn stelling dat aan hem ten onrechte een boete is opgelegd omdat hij geruime tijd niet heeft geweten dat zijn echtgenote de echtelijke woning had verlaten. Zelfs als deze laatste stelling juist zou zijn, hetgeen de Raad niet aannemelijk voorkomt nu het vertrek uit de echtelijke woning volgens het door appellant zelf overgelegde vonnis van de rechtbank te Al Hoceima op 2 oktober 1997 heeft plaatsgevonden, en appellant naar eigen zeggen in oktober of november 1997 zijn gezin in Marokko heeft bezocht, moet toch worden gesteld dat de gestelde onbekendheid met de verblijfplaats van zijn gezin aan appellant dient te worden toegerekend. Van de persoon die aanspraak maakt op een uitkering kan immers een redelijke mate van inspanning worden verwacht om op te hoogte te geraken van feiten en omstandigheden die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering, ook wanneer deze feiten en omstandigheden betrekking hebben op een andere persoon. Het enkele feit dat deze andere persoon de uitkerings- gerechtigde niet van een relevante wijziging van omstandigheden op de hoogte heeft gesteld brengt niet met zich mee dat het niet tijdig melden hiervan aan het bestuursorgaan niet of slechts in verminderde mate aan de belanghebbende kan worden verweten.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de boete in het onderhavige geval diende te worden bepaald op een bedrag van fl. 675,=, en dat dit moest leiden tot een aanpassing van besluit 2 op het punt van de wijze van invordering.

Op grond van het vorenstaande komt uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

Ten aanzien van besluit 3.

De Raad is van oordeel dat gedaagde op het punt van de terugvordering van de ten onrechte betaalde kinderbijslag en de oplegging van een boete bij besluit 3 een juiste uitvoering heeft gegeven aan uitspraak 2.

Ten aanzien van de invordering van de onverschuldigd betaalde kinderbijslag en de boete heeft appellant in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in staat is de vordering van gedaagde te betalen op de wijze zoals omschreven in besluit 3. Gedaagde heeft gesteld dat appellant waar het gaat om de invordering niet in zijn beroep kan worden ontvangen, aangezien hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze van invordering. De Raad kan gedaagde in deze stellingname niet volgen. Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar dient te maken, behoudens enkele hier niet ter zake doende uitzonderingen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 juni 2000, waarbij gedaagde het onverschuldigd betaalde bedrag heeft teruggevorderd, een boete heeft opgelegd en, conform hetgeen is voorgeschreven in de artikelen 17c, eerste lid, en 24b, vijfde lid, van de AKW, de wijze van betaling heeft vastgesteld. Appellant heeft derhalve voldaan aan het vereiste van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. Het feit dat de gronden van het bezwaar niet expliciet zijn gericht tegen de wijze van invordering doet hieraan niet af, nu de wijze van invordering blijkens genoemde bepalingen moet worden neergelegd in het besluit tot boete-oplegging respectievelijk het besluit tot terugvordering. Het besluit inzake de wijze van invordering kan derhalve niet worden beschouwd als een separaat, slechts toevalligerwijs in hetzelfde document verwoord besluit, waartegen expliciet en op separate gronden bezwaar moet worden gemaakt.

De Raad constateert voorts dat gedaagde bij zijn besluitvorming met betrekking tot de wijze van invordering niet op de voet van de artikelen 17g, achtste lid, en 24a, tweede lid, van de AKW heeft gewaarborgd dat appellant de beschikking houdt over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet. De Raad onderkent dat appellant niet heeft gereageerd op het verzoek van gedaagde d.d. 10 december 1999, een voorstel te doen inzake de wijze van afbetaling. Nu gedaagde in deze brief evenwel niet expliciet heeft verzocht om gegevens teneinde tot tenuitvoerlegging van de boete en de terugvordering te kunnen overgaan, doch slechts heeft laten weten dat een voorstel van appellant dat niet zou leiden tot afbetaling binnen een jaar moest worden voorzien van gegevens betreffende het inkomen, kan het stilzwijgen van appellant niet worden opgevat als een weigering om de voor de tenuitvoerlegging van de boete respectievelijk de terugvordering van belang zijnde gegevens te verstrekken. Derhalve is geen sprake van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 17g, negende lid, en artikel 24a, tweede lid, waarin een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet niet wordt gegarandeerd.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het beroep tegen besluit 3 gegrond moet worden verklaard. Dit besluit moet worden vernietigd voorzover daarbij is vastgesteld op welke wijze appellant het verschuldigde bedrag dient te betalen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellant in hoger beroep heeft moeten maken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt uitspraak 2;

Verklaart het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen besluit 3, gegrond en vernietigt dat besluit voorzover dit betrekking heeft op de invordering van het door appellant aan gedaagde verschuldigde bedrag;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,=, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde recht van € 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) T.R.H. van Roekel.