Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2003
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
02-5120 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid rechtbank. Appellant heeft ten onrechte beroep heeft ingesteld bij de rechtbank 's-Hertogenbosch. Het beroepschrift is doorgezonden na ommekomst van de in artikel 6:7 gestelde beroepstermijn van zes weken en derhalve te laat bij de bevoegde rechtbank ingekomen. Indien de doorzending, zoals op grond van de vaste jurisprudentie van de Raad had mogen worden verwacht, twee weken na ontvangst door de onbevoegde rechtbank had plaatsgevonden, zou het beroepschrift evenzeer te laat door de bevoegde rechtbank zijn ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5120 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] , wonende te [woonplaats] appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 augustus 2002, nr. AWB 02/01032 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 juni 2003, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

1.

De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1.

Appellant ontvangt een militair arbeidsongeschiktheidspensioen. Bij besluit van 16 juli 2001 heeft gedaagde met toepassing van artikel 5 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AAVIM) een bedrag van per saldo f 4.955,38 van appellant teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 12 september 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen dit terug-vorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat beroep openstaat bij de rechtbank 's-Gravenhage.

1.2.

Bij beroepschrift gedateerd 22 oktober 2001 is namens appellant tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank 's-Hertogenbosch, zijnde de rechtbank van appellants woonplaats. Het beroepschrift is door die rechtbank op 23 oktober 2001 ontvangen en bij brief van 14 maart 2002 doorgezonden aan de rechtbank 's-Gravenhage, waar het op 15 maart 2002 is ingekomen.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna ook: de rechtbank) het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Daarbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 februari 1999 (TAR 1999, 62) geoordeeld dat de zaak behoort tot haar bevoegdheid, meer in het bijzonder tot de bevoegdheid van haar militaire kamer. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat bij het in werking treden van het Besluit AAIVM, welke regeling niet berust op de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW) maar op de Kaderwet militaire pensioenen (Kmp), niet is beoogd wijziging te brengen in de rechtsmacht van haar militaire kamer ten aanzien van de militaire pensioenwetgeving en de daarmee verbonden regelgeving. Aldus is het beroepschrift, met voorbijgaan aan de beroeps-clausule in het bestreden besluit, bij de verkeerde rechtbank ingediend en pas geruime tijd na afloop van de beroepstermijn door de bevoegde rechtbank ontvangen. Deze termijn-overschrijding kan aan appellant worden tegengeworpen, aldus de rechtbank.

2.

In hoger beroep ziet de Raad zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht van het beroep kennis te nemen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.1.

Ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan zoals gedaagde, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft bevoegd.

2.1.1.

Titel II, paragraaf 2, van de MAW voorziet in een hiervan afwijkende regeling van de rechtsmacht. In artikel 4 van de MAW is bepaald dat, in afwijking van artikel 8:7 van de Awb, voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank

's-Gravenhage bevoegd is. Voor de behandeling van deze beroepen voorziet artikel 5 van de MAW in de instelling van een militaire kamer bij die rechtbank. Ook in de Kaderwet dienstplicht en de vóór 1997 geldende Wet rechtstoestand dienstplichtigen wordt en werd verwezen naar deze bepalingen van de MAW.

2.1.2.

Door verwijzing in artikel W3 van de Algemene militaire pensioenwet (AMP) naar titel II van de MAW en door verwijzing in artikel 11 (oud) van de Uitkeringswet gewezen militairen (hierna: Ugm) naar artikel W3 van de AMP (en daarmee naar titel II van de MAW) heeft dit stelsel - behandeling van militaire pensioenzaken door de militaire kamer van de rechtbank ‘s-Gravenhage - vanouds ook gegolden voor militaire pensioenen en daarmee vergelijkbare uitkeringen aan (gewezen) militairen.

2.1.3.

In deze bepalingen is het stelsel van rechtsbescherming vervat dat de wetgever vanouds voor ogen heeft gestaan bij geschillen met een militaire component: behandeling van rechtspositionele geschillen betreffende de publiekrechtelijke rechtspositie van militairen en gewezen militairen, met inbegrip van militaire pensioenen en uitkeringen, wordt in eerste instantie geconcentreerd bij de militaire kamer van de rechtbank

’s-Gravenhage.

2.1.4.

In de sedert 31 januari 2001 geldende Kmp ontbreekt echter een met het voormalige artikel W3 van de AMP vergelijkbare bepaling en daarmee een verwijzing naar titel II van de MAW. Wel is in artikel 11, tweede lid, van de Ugm sedertdien bepaald dat in afwijking van artikel 8:7 van de Awb voor beroep de rechtbank

’s-Gravenhage bevoegd is.

2.2.

Het primaire besluit van 16 juli 2001 is genomen op grond van het Besluit AAIVM. Dit is een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Kmp.

2.3.

Op de hiervoor aangegeven historische gronden moet naar het oordeel van de Raad evenwel worden aangenomen dat - voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit een bijzondere wet, zoals de Kaderwet dienstplicht - artikel 4 van de MAW uitdrukking geeft aan het onder 2.1.3. bedoelde, door de wetgever beoogde stelsel van rechtsbescherming in militaire zaken. Tot dat stelsel behoort eveneens vanouds de mogelijkheid van hoger beroep bij de Raad, zoals deze thans voortvloeit uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet.

2.4.

Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat onder "besluiten op grond van deze wet", als bedoeld in artikel 4 van de MAW, zijn te begrijpen: alle besluiten, de rechtspositie betreffende, waarbij een (gewezen) militair in de zin van de MAW als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden als bedoeld in de MAW belanghebbende zijn.

2.5.

Uiteraard kan bij wet in formele zin van het vorenstaande worden afgeweken, bijvoorbeeld in die zin, dat de in artikel 8:7, tweede lid, van de Awb geformuleerde hoofdregel haar werking herneemt. Zulk een afwijking kan voortvloeien uit de bewoordingen, maar ook uit het stelsel of uit de geschiedenis van de totstandkoming van die formele wet. De Raad heeft echter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de formele wetgever bij het tot stand brengen van de Kmp heeft beoogd een afwijkend stelsel van rechtsbescherming te introduceren.

2.5.1.

Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de AMP, die aan de Kmp voorafging en op grond van artikel 7, eerste lid, van de Kmp is ingetrokken, in artikel W3 voor beroepen tegen besluiten op grond van die wet de rechtbank 's-Gravenhage bevoegd verklaarde en voor beroepen tegen een koninklijk besluit of een beschikking van de Minister van Defensie een uitdrukkelijke verwijzing naar titel II van de MAW bevatte waardoor eveneens de rechtbank 's-Gravenhage als bevoegde rechter werd aangewezen. Dat een vergelijkbare bepaling niet meer in de Kmp is opgenomen, is naar het oordeel van de Raad te verklaren uit het feit dat met die wet juist werd beoogd het pensioenstelsel te privatiseren en ook aan de uitvoering ervan het publiekrechtelijk karakter te ontnemen. Een bepaling zoals voorheen vervat in artikel W3 van de AMP zou daarmee niet stroken. De privatisering betrof echter uitsluitend de hoofdmoot van het pensioenstelsel, te weten het ouderdoms- en het nabestaandenpensioen. Zij had nadrukkelijk geen betrekking op de specifiek aan het militaire beroep verbonden extra's bij invaliditeit en overlijden (Kamerstukken II 1998-1999, 26 686, nr. 3, p.3 en p.6-8). Aan die extra's heeft de wetgever "een nieuwe plaats" willen geven door in artikel 2, vijfde lid, van de Kmp te voorzien in regeling bij algemene maatregel van bestuur. Daarbij is niet op kenbare wijze aandacht besteed aan het feit dat de uitvoering van zo'n publiekrechtelijke regeling - in dit geval het Besluit AAIVM - zou leiden tot het nemen van besluiten in de zin van de Awb waartegen rechtsbescherming openstaat bij de bestuursrechter. Dat de formele wetgever heeft willen afwijken van het onder 2.3. beschreven stelsel, is de Raad echter niet kunnen blijken. Bij het tot stand brengen van het Besluit AAIVM was voor een uitdrukkelijke voorziening ter zake van de rechtsbescherming geen plaats meer, reeds omdat deze algemene maatregel van bestuur geen wijziging vermag te brengen in hetgeen uit de formele wet voortvloeit.

2.5.2.

De Raad ziet zich in zijn oordeel gesteund door de geschiedenis van de totstandkoming van artikel VIII, onder G, van de Aanpassingswet Kaderwet militaire pensioenen (Stb. 2002, 69), waarbij in verband met de invoering van de Kmp een nieuw artikel 11, tweede lid, is opgenomen in de Ugm, in welk artikellid de rechtbank

's-Gravenhage voor de toepassing van de Ugm als bevoegde rechter is aangewezen. In de memorie van toelichting is opgemerkt dat de reden om op dit punt te blijven afwijken van de Awb nog steeds van toepassing is, te weten een eenduidig pensioenforum in militaire pensioenzaken (Kamerstukken II 2000-2001, 27 875, nr. 3, p.5). De hieruit blijkende zienswijze van de wetgever, in een onmiskenbaar publiekrechtelijk kader naar voren gebracht, is evenzeer van toepassing te achten op de rechtsbescherming inzake de publiekrechtelijk gebleven onderdelen van het pensioenstelsel ingevolge de Kmp, die bij het tot stand brengen van de Kmp kennelijk over het hoofd zijn gezien.

2.6.

Nu het Besluit AAIVM, als gezegd, betrekking heeft op specifiek aan het militaire beroep verbonden extra's, waarvoor derhalve de hoedanigheid van gewezen militair bepalend is, raakt het primaire besluit rechtstreeks de (voortgezette) militaire rechtspositie van appellant. Derhalve moet worden geoordeeld dat sprake is van een besluit waarbij een gewezen militair ambtenaar als zodanig belanghebbende is en daarmee van een besluit als bedoeld in artikel 4 van de MAW, waarover (de militaire kamer van) de rechtbank 's-Gravenhage bevoegd is in eerste aanleg te oordelen.

3.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat appellant ten onrechte beroep heeft ingesteld bij de rechtbank 's-Hertogenbosch. Het beroepschrift is doorgezonden na ommekomst van de in artikel 6:7 gestelde beroepstermijn van zes weken en derhalve te laat bij de bevoegde rechtbank ingekomen. Indien de doorzending, zoals op grond van de vaste jurisprudentie van de Raad had mogen worden verwacht, twee weken na ontvangst door de onbevoegde rechtbank had plaatsgevonden, zou het beroepschrift evenzeer te laat door de bevoegde rechtbank zijn ontvangen.

4.

Ingevolge artikel VII, eerste lid, van de Eerste evaluatiewet Awb (Stb. 2002, 53) is in dit geval de oude tekst van artikel 6:15 van de Awb van toepassing. Nu gedaagde in het bestreden besluit een juiste rechtsmiddelclausule had opgenomen betekent dit dat de datum van ontvangst door de bevoegde rechtbank bepalend is. Appellant heeft derhalve de beroepstermijn overschreden.

5.

Van redenen die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, in de zin van artikel 6:11 van de Awb, is niet gebleken. Door de rechtsmiddelclausule te negeren, heeft appellant een risico genomen dat geheel voor zijn rekening komt.

6.

De rechtbank heeft het beroep mitsdien terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.

Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.

HD

14.08

Q