Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2003
Datum publicatie
24-11-2003
Zaaknummer
02/620 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berust de functiewaardering op onvoldoende gronden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/620 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kessel, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 26 november 2001, nr. 01/812 AW RV, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. A.F.M. Duynstee, advocaat te Maastricht. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.E.M. Houwen en

W.J.G.M. Heinen, beiden werkzaam bij de gemeente Kessel.

II. MOTIVERING

1.1. Bij besluit van 14 december 1999 heeft gedaagde de door appellant vervulde functie van [naam functie] gewaardeerd met toepassing van de Regeling functiewaardering gemeente Kessel 1994 (verder: de Regeling). Het bij de Regeling gehanteerde waarderingssysteem is ontleend aan het Gemeentelijk (ODRP) functie-waarderingssysteem 1991. De functie van appellant is ingedeeld in hoofdgroep IV met in totaal 11 punten voor de secundaire factoren, hetgeen leidde tot indeling in functieschaal 9. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde van 18 april 2000 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens appellant beroep ingesteld. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 29 november 2000 dit beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 april 2000 vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.2. Gedaagde heeft op 11 juni 2001 een nieuw besluit op bezwaar (hierna ook: bestreden besluit) genomen, waarbij het bezwaar van appellant wederom ongegrond is verklaard. Het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de in dit geding aangevallen uitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de overigens in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.

2.1. De Raad stelt vast dat in het onderhavige geding als uitgangspunt heeft te gelden de in september 1999 ondertekende beschrijving van de functie van appellant, die tussen partijen niet in geschil is. Voorts stelt de Raad voorop dat de rechterlijke toetsing in een geval als dit een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechts- beginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat pas tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

2.2. Namens appellant is in de eerste plaats aangevoerd dat de aanpassing van het classificatierapport ten behoeve van het bestreden besluit op bezwaar onhoudbaar is, omdat daarbij andere criteria zijn gebruikt dan de criteria zoals deze zijn omschreven in het functiewaarderingssysteem dat deel uitmaakt van de Regeling. De Raad kan appellant in zoverre volgen dat in het algemeen in een dergelijke analyse, welke een vertaling vormt van de (in dit geval vrij globale) functiebeschrijving naar de criteria van het toepasselijke functiewaarderingssysteem, zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de in dat systeem gehanteerde terminologie. Gezien echter de loop van de onderhavige procedure, waarbij gedaagde via aanpassing van het classificatierapport de motivering van het besluit op bezwaar meer heeft toegespitst op de inhoud van de bezwaren van appellant tegen de waardering en waarbij gedaagde voorts die waardering heeft bezien in relatie met de inhoud en waardering van andere relevante functies en met de plaats van de functie van appellant in de organisatie, kan de Raad de onderhavige aanvulling van de motivering van het primaire besluit in bezwaar niet in strijd met artikel 7:11 van de Awb of anderszins onhoudbaar achten. Hierbij acht de Raad van belang dat gedaagde bij het besluit op bezwaar niet tot een lagere waardering dan de waardering bij het primaire besluit is gekomen.

2.3. Ten aanzien van de bestreden scores voor de secundaire factoren keuzemogelijkheden (3), contact (2) en leidinggeven (0) overweegt de Raad, toetsend als onder 2.1. is weergegeven, als volgt.

2.3.1. Keuzemogelijkheden.

De voor deze factor toegekende score van drie punten acht de Raad, gezien de in de functiebeschrijving weergegeven inhoud van de functie en de overigens door partijen in dit geding verstrekte gegevens, niet onhoudbaar. Het standpunt van gedaagde dat appellant weliswaar binnen de wet- en regelgeving bouwstenen moet aandragen voor vorming van nieuw gemeentelijk beleid en bijstelling van vastgesteld beleid, waarmee wel sprake is van deelname aan de beleidsvorming maar, mede gezien zijn plaats in de organisatie, niet van het ontwikkelen van een eigenstandige visie en voorts dat het accent in appellants functie ligt op het op zwaar niveau uitvoering geven aan hogere regelgeving, berust naar het oordeel van de Raad niet op onvoldoende gronden. Dat in taakonderdeel 1.1. in de functiebeschrijving is aangegeven dat appellant beleidsplannen opstelt ter vormgeving van het milieubeleid met betrekking tot de diverse gemeentelijke taakvelden, doet hieraan onvoldoende af, nu deze globale beschrijving op zichzelf nog onvoldoende inzicht biedt in het gewicht van die beleidsdeelname en deze taak mede dient te worden bezien in relatie met de aan appellants chef, het hoofd van de afdeling Grondgebied, opgedragen beleidstaken.

2.3.2. Contact

Voor de factor contact in de functie van appellant is een score van twee punten toegekend. Daarbij is aangenomen dat het contact in deze functie een essentieel onderdeel betreft, waarbij het in hoofdzaak gaat om het behulpzaam zijn en/of om het verkrijgen van begrip. Van de zijde van appellant is aangevoerd dat een score 3 gerechtvaardigd is, nu appellant de gemeente vertegenwoordigt in procedures, overlegstructuren en samenwerkingsverbanden en adviseert in gevallen van bodemsanering en hergebruik van (verontreinigde) grond, waarbij sprake is van belangentegenstellingen. De Raad onderkent dat de belangen van de deelnemers in de contacten van appellant niet altijd parallel zullen lopen en dat ten aanzien van sommige van die contacten een score van drie punten wellicht verdedigbaar zou zijn. Dit is echter onvoldoende om de toegekende score van twee punten in rechte onhoudbaar te achten. In het merendeel van de contacten zal toch (nagenoeg) uitsluitend sprake zijn van overdracht en uitwisseling van informatie, waarbij appellant behulpzaam zal moeten zijn en/of begrip zal moeten verkrijgen. De Raad merkt hierbij op dat juist de handhaving van het milieubeleid geen deel uitmaakt van het takenpakket van appellant, maar aan een collega is opgedragen.

De grief dat sprake zou zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu aan de functie van financieel economisch medewerker drie punten zijn toegekend voor deze factor, treft evenmin doel. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat de contacten in die functie, waarin controlerend wordt opgetreden en als comptabele en invorderingsambtenaar zelfstandig wordt geopereerd, gelijkwaardig zijn aan de contacten in zijn functie en dat gedaagde ten aanzien van deze factor op een inconsistente wijze toepassing zou hebben gegeven aan het onderhavige systeem. Wat betreft de vergelijking met de functie van juridisch medewerker oordeelt de Raad in dezelfde zin, waarbij vooral betekenis toekomt aan het tot die functie behorende element van juridische control.

2.3.3. Leidinggeven

Dat geen punten zijn toegekend voor deze factor is door appellant bestreden onder verwijzing naar taakonderdeel 2.2. in zijn functiebeschrijving, waarin is vermeld dat hij de werkzaamheden op de afdeling op milieugebied organiseert en coördineert, waarbij sprake zou zijn van een gezagssituatie. In het onderhavige waarderingssysteem wordt onder leidinggeven verstaan het richting geven aan de activiteiten van functionarissen, die hiërarchisch direct of indirect ondergeschikt zijn - of zich in een situatie bevinden die daarmee vergelijkbaar is - teneinde de gestelde doelen te bereiken, in beginsel gekenmerkt door de aanwezigheid van een gezagssituatie. Dat in de functie van appellant geen sprake is van hiërarchisch leidinggeven, is tussen partijen niet in geschil. Appellant stelt dat het organiseren en coördineren van alle werkzaamheden op milieugebied meebrengt dat hij leiding geeft aan zijn twee collega's die met hem werkzaam zijn op dat gebied. De Raad kan gedaagde volgen in het standpunt dat de aan appellant opgedragen sturende taken op het gebied van milieu niet meebrengen dat leiding wordt gegeven in de zin van het onderhavige waarderingssysteem. Het hoofd van de afdeling Grondgebied geeft blijkens zijn functiebeschrijving hiërarchisch leiding aan alle medewerkers van die afdeling, onder wie appellant en de twee bedoelde medewerkers. Aan het hoofd van de afdeling is ook het leiden van het werkoverleg alsmede het houden van functioneringsgesprekken en beoordelingsgesprekken opgedragen, welke taken in de functie van appellant ontbreken.

3. Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep van appellant geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.