Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2003
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
02/291 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat appellant op zeker moment weer zover was hersteld dat hij het werk kon hervatten, impliceert wel dat hij inmiddels weer in staat was zijn belangen te behartigen, maar daarmee was de eerder opgelopen informatieachterstand wegens psychische problemen in het verleden niet weggewerkt. Daarom kan appellant niet verweten worden dat hij niet op het idee is gekomen dat hij zelf zijn werkhervatting binnen zeven dagen aan gedaagde had moeten melden. Het UWV had daarom moeten afzien van het opleggen van een boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 428 met annotatie van F.J.L. Pennings
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

02/291 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] , wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 27 april 2000 heeft gedaagde aan appellant een boete opgelegd van f 300,- wegens schending van een op hem rustende mededelingsverplichting.

Bij besluit van 1 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 27 april 2000 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2001 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de hoogte van de opgelegde boete, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, bepaald dat aan appellant een boete wordt opgelegd groot f 225,- en gelast dat het door appellant betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op bij beroepschrift d.d.
10 januari 2002 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft op 7 maart 2002 een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 18 maart 2003 heeft gedaagde in antwoord op een door de Raad gestelde vraag te kennen gegeven dat de boete ingevolge het bepaalde onder punt 4 van de bijlage bij het Besluit afstemming boete werknemers wordt verlaagd met 50% indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De boete moet aldus naar het oordeel van gedaagde in het onderhavige geval worden vastgesteld op 50% van f 225,- = f 112,50.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 juli 2003, waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich, zoals tevoren was bericht, niet doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellant houdt ook in hoger beroep staande dat hem niet valt te verwijten dat hij aan gedaagde niet tijdig mededeling heeft gedaan van het feit dat hij op 23 augustus 1999 zijn werk volledig heeft hervat. Hij was zich niet bewust van een mededelingsverplichting. Van oktober 1997 tot medio 1999 was hij als gevolg van ernstige psychische problemen en hectische toestanden in zijn privé-leven niet in staat tot het behartigen van zijn persoonlijke belangen. Post lezen en in zich opnemen was absoluut onmogelijk, aldus appellant. Bovendien ging appellant ervan uit dat zijn werkgever, de gemeente Sint-Michielsgestel, zijn werkhervatting zou doorgeven, temeer omdat die ook de WAO-uitkering ontving.

De rechtbank heeft met betrekking tot de door appellant naar voren gebrachte argumenten overwogen dat appellant ten tijde van de toezending van het toekenningsbesluit en de informatiebrochure zodanige psychische beperkingen ondervond dat hij niet in staat was om kennis te nemen van de daarin aangegeven verplichtingen, maar dat tevens moet worden aangenomen dat appellant ten tijde van zijn werkhervatting op 23 augustus 1999 weer zodanig was hersteld dat het hem toen redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat die werkhervatting van invloed was op het recht op WAO-uitkering. Het ontbreken van kwade trouw is daarbij niet relevant. De rechtbank heeft voorts overwogen dat een betrokkene een eigen verantwoordelijkheid heeft om tijdig, volledig en op juiste wijze te voldoen aan de inlichtingenplicht en dat appellant er mitsdien niet zonder meer op mocht vertrouwen dat zijn werkgever gedaagde op de hoogte zou stellen van de werkhervatting.

De Raad is, alles afwegende, tot een andere slotsom gekomen dan de rechtbank.

De Raad aanvaardt, evenals de rechtbank, dat appellant als gevolg van zijn toenmalige deplorabele psychische toestand niet in staat was om kennis te nemen van de in het toekenningsbesluit en de informatiebrochure vermelde verplichtingen. De omstandigheid dat appellant op zeker moment weer zover was hersteld dat hij het werk kon hervatten impliceert wel dat hij inmiddels weer in staat was zijn belangen te behartigen, maar daarmee was de eerder opgelopen informatieachterstand niet weggewerkt. Gegeven deze achterstandspositie en in aanmerking genomen dat de uitkering aan zijn (overheids)werkgever werd betaald, kan appellant voorts niet worden verweten dat hij niet op het idee is gekomen dat hij zelf zijn werkhervatting binnen zeven dagen aan gedaagde had moeten melden. In de gegeven omstandigheden had gedaagde behoren af te zien van het opleggen van een boete.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, behoudens voor zover de rechtbank vergoeding van griffierecht heeft gelast. Het beroep tegen het bestreden besluit moet alsnog gegrond worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door appellant in hoger beroep gemaakte proceskosten, bestaande uit de reiskosten voor het bijwonen van de zitting, op basis van openbaar vervoer tweede klasse, zijnde een bedrag van € 14,58.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover de rechtbank vergoeding van het in eerste aanleg betaalde griffierecht heeft gelast;

Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 14,58, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2003.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

MH