Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8520

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
99/2672 MAW + 00/5021 MAW + 00/5022 MAW + 00/5335 MAW + 00/5336 MAW + 00/5338 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse rechtspositionele maatregelen bij ongeschiktheidsontslag na dienstongeval. De voor een ieder geldende eis van inzetbaarheid voor uitzending staat het niet langer toe om een medisch ongeschikte militair in dienst te handhaven, ook als de ziekte of het gebrek in en door de dienst is ontstaan. Ruim dispensatiebeleid wordt niet langer gevoerd, hetgeen niet onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/159

Uitspraak

99/2672, 00/5021, 00/5022, 00/5335, 00/5336, 00/5338 en 00/5339 MAW en 00/5333 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], Duitsland, appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 april 1999, nr. AWB 98/4865 MAWKLA, 8 augustus 2000, nrs. AWB 99/5551 MAWKLA en AWB 00/346 MAWKLA en 17 augustus 2000, nrs. AWB 99/3807 MAWKLA, 00/6514 MAWKLA, AWB 00/6515 MAWKLA, AWB 00/6517 MAWKLA en AWB 00/6518 AW in de gedingen tussen appellant en gedaagde. De Raad verwijst naar deze uitspraken.

Namens gedaagde zijn verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 maart 2003, tezamen met het geding nr. 00/5340 MAW tussen appellant en de Inspecteur Geneeskundige Dienst Koninklijke Landmacht (IGDKL). Ter zitting is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij de ACOM. Gedaagde en de IGDKL hebben zich laten vertegenwoordigen door mrs. J.C. Groenheijde en A.J.M. van Daal, beiden werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Na de zitting zijn de onderhavige gedingen gesplitst van de zaak tussen appellant en de IGDKL. In de onderhavige zaken wordt gezamenlijk uitspraak gedaan.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraken voor een uitgebreidere weergave van de van belang zijnde feiten, volstaat de Raad hier met de volgende samenvatting, met dien verstande dat de Raad ervan uitgaat dat appellant zonder voorbehoud was geplaatst bij het Opleidingscentrum Logistiek (OCLOG).

2.1. Appellant, sergeant-majoor bij het dienstvak der aan- en afvoertroepen, heeft - naar aanleiding van een verzoek om functietoewijzing - op 18 maart 1996 een incidenteel geneeskundig onderzoek (IGO) ondergaan, later gevolgd door een militair geneeskundig onderzoek (MGO) en herhaald MGO. Appellant werd op medische gronden niet langer geschikt geacht voor de militaire dienst. Hij is aangemerkt als herplaatsingskandidaat. Voordien was hem reeds de gelegenheid geboden om met ingang van 24 februari 1997 de post HBO-opleiding Kwaliteit, Arbo en Milieu (KAM-opleiding) te volgen, die hij in september 1997 heeft afgerond, waarna hij stage is gaan lopen. Op 22 augustus 1997 is appellant geïnformeerd dat hij op een termijn van twee jaar zal worden voorgedragen voor eervol ontslag uit hoofde van ziekte of gebrek.

2.2. Appellant werd bij besluit van 9 september 1997 met ingang van 1 september 1997 boven de sterkte geplaatst bij het Opleidingscentrum Logistiek. Vanaf 20 oktober 1997 is appellant tewerkgesteld bij de ARBO-dienst van de Koninklijke Landmacht. Met ingang van 1 oktober 1999 is appellant op medische gronden ontslag verleend en met ingang van die zelfde datum is hij als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie aangesteld in de functie van hoofd bureau Milieu en Arbo, een bureau dat een onderdeel vormt van het Garnizoen Oirschot.

2.3. Appellant is tegen verschillende brieven van gedaagde opgekomen. Die bezwaren zijn door gedaagde in een achttal afzonderlijke besluiten ongegrond verklaard. Tegen ieder van die besluiten heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank ’s-Gravenhage. De rechtbank heeft deze beroepen bij afzonderlijke uitspraken ongegrond verklaard.

De ontslagbescherming (nr. 00/5335 MAW)

3.1. Appellant heeft onder meer bezwaar gemaakt tegen de in de brief van 22 augustus 1997 genoemde begindatum van de ontslagbescherming, zijnde 24 februari 1997, welke datum bij brief van 9 november 1998 is veranderd in 1 september 1997. Dit bezwaar is bij besluit van 18 maart 1999 (besluit A) door gedaagde ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard (uitspraak A, nr. AWB 99/3807 MAWKLA).

3.2. De Raad overweegt dienaangaande dat met de brieven van 22 augustus 1997 en 9 november 1998 niet wordt ingegrepen in de rechtspositie van appellant, noch geweigerd wordt zulks te doen. Bedoelde brieven bieden slechts voorlichting over de rechtspositie van appellant, voor het geval tot ontslag zou worden besloten, en bevatten derhalve geen besluit. Evenmin is appellant met zijn bezwaarschrift opgekomen tegen een handeling waarbij hij als ambtenaar als zodanig belanghebbende is. Dit betekent dat gedaagde appellant ten onrechte in zijn bezwaar heeft ontvangen, zodat de rechtbank het beroep tegen besluit A ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De Raad zal uitspraak A en besluit A vernietigen, zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

De BDS-plaatsing code 2 (nr. 99/2672 MAW)

4.1. Tijdens een militaire sportles in 1973 overkwam appellant knieletsel, waarvoor hij zich onder doktersbehandeling heeft moeten stellen. In 1975 is operatief een knieplastiek geplaatst. Vanaf eind 1976 is appellant vrijgesteld van kniebelastende activiteiten als velddiensten en sport. In 1989 keerde hij uit Duitsland van de parate troepen naar Nederland terug waar hij als instructeur te werk werd gesteld. In 1991 is na geneeskundig onderzoek geconcludeerd dat appellant door knieklachten en hardhorendheid ongeschikt is voor parate functies.

4.2. Een definitief besluit op basis van het hiervoor genoemde IGO is niet genomen, maar wel is appellant bij schrijven van 3 juni 1996 geïnformeerd dat hij mogelijk lijdende was aan een in het Militair Keuringsreglement (MKR) genoemde afwijking en dat gedaagde om die reden had verzocht om een MGO in te stellen. Bij brief van 16 mei 1997 is appellant in kennis gesteld van de uitslag van dat MGO. Daaruit was gebleken dat hij ongeschikt was voor het verder vervullen van de militaire dienst. Nadat appellant daartegen bezwaar had gemaakt, heeft een herhaald MGO plaats gevonden. De uitslag daarvan, waarin de uitslag van het MGO wordt bevestigd, is hem bij schrijven 7 mei 1998 bekend gemaakt.

4.3. Ook tijdens het MGO en het herhaald MGO is gebleken van hardhorendheid en ernstige knieklachten en daaruit voortvloeiende beperkingen. Tevens is gebleken dat rug- en heupklachten waren ontstaan, die samenhangen met de knieklachten van appellant. Van deze ziekten en/of gebreken, die voorkomen op de bij het MKR behorende lijst, wordt aangenomen dat deze door of in verband met de militaire dienst zijn ontstaan.

4.4. Bij besluit van 9 september 1997 is appellant met ingang van 1 september 1997 ontheven uit zijn functie met een zogeheten BDS-plaatsing code 2. Dat besluit heeft gedaagde bij besluit van 14 mei 1998 (besluit B) gehandhaafd. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 april 1999 (uitspraak B, nr. AWB 98/4865 MAWKLA) het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. In die uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid, wordt onder meer overwogen:

“Vaststaat dat eiser om medische redenen gedurende langere tijd niet in staat is geweest om zijn functie te vervullen. In verband met zijn vermoedelijke dienstongeschiktheid heeft eiser in het kader van de reïntegratie de KAM-opleiding gevolgd, waardoor hij langdurig niet inzetbaar was. Gelet op de uitslag van het MGO heeft de commandant van het OCLOG in redelijkheid mogen aannemen dat eiser niet meer in zijn functie zou terugkeren”.

4.5. Deze overwegingen worden door de Raad onderschreven. De uitslag van het MGO wees immers uit dat appellant om medische redenen niet (langer) dienstgeschikt was en vanaf begin 1997 zijn appellant in het kader van reïntegratie faciliteiten geboden tot deelname aan een opleiding en het volgen van een stage waardoor hij langdurig niet inzetbaar was. Als gevolg hiervan kon appellant de hem toegewezen functie niet vervullen. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de ontheffing van appellant uit de hem toegewezen functie. Anders dan appellant in hoger beroep heeft betoogd stond het gedaagde vrij om het besluit van 9 september 1997 te nemen voordat de uitslag van het herhaald MGO bekend was geworden. Uitspraak B komt voor bevestiging in aanmerking.

De plaatsing bij IBDKL (nr. 00/5021 MAW)

5.1. Appellant is met ingang van 4 juni 1998 geplaatst bij de Individuele Begeleidingsdienst Koninklijke Landmacht (IBDKL). Deze plaatsing is naar aanleiding van de daartegen door appellant ingediende bezwaren bij het thans bestreden besluit van 17 mei 1999 (besluit C) gehandhaafd. Het doel van die indeling was om appellant in aanmerking te brengen voor de faciliteiten en begeleidingsmogelijkheden die de IBDKL kan bieden en was kennelijk gebaseerd op de overweging dat appellant op medische gronden als ongeschikt voor de militaire dienst moest worden aangemerkt en in beginsel niet voor dispensatie van de geldende keuringseisen in aanmerking kwam.

De rechtbank heeft het tegen besluit C ingestelde beroep bij uitspraak van 8 augustus 2000, nr. AWB 99/5551 MAWKLA (uitspraak C) ongegrond verklaard.

5.2. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat gedaagde op grond van zijn beleid gehouden was om hem dispensatie te verlenen, zodat hij ten onrechte bij de IBDKL is geplaatst.

5.3. Het door gedaagde gevoerde beleid is geschetst in de brief van 29 oktober 1993 nr. KL 15.399/C van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten waarin in het kader van de ombouw naar een beroepsleger en het verschuiven van taakstelling van de krijgsmacht tot uitgangspunt is genomen dat de Koninklijke Landmacht zich niet langer een ruimhartig dispensatiebeleid kan veroorloven. De voor iedereen geldende eis van inzetbaarheid voor uitzending staat het in beginsel niet (langer) toe om een medisch ongeschikte militair in dienst te handhaven, ook als de ziekte of het gebrek is ontstaan “in en door de dienst”. Als overgangsbeleid geldt dat deze beleidswijziging pas gevolgen heeft bij de eerstvolgende functietoewijzing.

5.4. Met dat beleid is gedaagde niet getreden buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Met zijn beroep op de uitspraak van de Raad van 11 mei 1999 in de zaak 97/3362 MAW miskent appellant dat die uitspraak ziet op het vóór 29 oktober 1993 gevoerde beleid. Dat, ruimhartiger, beleid is ten aanzien van appellant niet van toepassing.

5.5. De Raad is voorts, onder verwijzing naar hetgeen hierna onder 6. wordt overwogen van oordeel dat gedaagde zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant in beginsel ten gevolge van ziekte of gebrek blijvend ongeschikt is te achten voor het vervullen van de dienst. Dit betekent dat de daarop gebaseerde plaatsing bij de IBDKL in rechte stand houdt. Uitspraak C komt voor bevestiging in aanmerking.

Het ontslag (nr. 00/5336 MAW)

6.1. Bij besluit van 18 mei 1999 heeft gedaagde appellant per 1 september 1999 terzake van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) eervol ontslag verleend. Deze ontslagdatum is nadien gewijzigd in 1 oktober 1999. Het bezwaar tegen het ontslag is bij besluit van 6 juni 2000 (besluit D) ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 17 augustus 2000, nr. AWB 00/6517 MAWKLA (uitspraak D) ongegrond verklaard.

6.2. Appellant kan zich niet verenigen met het ontslagbesluit. Zijn klacht dat gedaagde zich heeft gebaseerd op onjuist en onvolledig onderzoek heeft de rechtbank verworpen met de overweging dat gedaagde zich in redelijkheid heeft kunnen baseren op de uitslag van het MGO en het herhaald MGO en dat de rechtbank geen grond heeft om te twijfelen aan het oordeel van de commissies die appellant hebben onderzocht. De rechtbank voegt daaraan toe dat van de kant van appellant geen medische gegevens zijn overgelegd die in een andere richting zouden kunnen wijzen en voorts dat haar niet is gebleken dat het MGO en het herhaald MGO in strijd met de regelgeving hebben plaats gevonden.

6.3. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische informatie overgelegd. De bevindingen in het MGO en het herhaald MGO stemmen volledig overeen met de overige medische gegevens in het dossier en de uit het MGO en herhaald MGO getrokken conclusies zijn voldoende onderbouwd en begrijpelijk.

6.4. De klacht van appellant dat de hier van belang zijnde medische onderzoeken zich ten onrechte niet hebben beperkt tot de beoordeling van de ongeschiktheid van appellant voor een specifieke functie of specifieke functies slaagt niet. Daartoe overweegt de Raad dat de militaire ambtenaar, gelet op de eisen van algemene inzetbaarheid, niet wordt aangesteld in een specifieke functie. Gelet op de eis van algemene inzetbaarheid is hij gehouden de hem in het belang van de taakuitoefening van de krijgsmacht opgedragen werkzaamheden waar ook ter wereld en zelfs onder oorlogsomstandigheden te verrichten. Aan een militair mogen daarom zware fysieke en geestelijke eisen worden gesteld.

6.5. Anders dan appellant heeft betoogd, stond geen rechtsregel gedaagde in de weg om, voordat een definitief besluit was genomen, op basis van de resultaten van het IGO een MGO te laten verrichten. Ook is niet gebleken dat aan het MGO of het herhaald MGO zodanige gebreken kleven dat gedaagde zijn besluitvorming daarop niet had mogen baseren.

6.6. Gelet op de aard en de ernst van de gezondheidsklachten die ten aanzien van appellant zijn gebleken, heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet geschikt is te achten voor uitzending in het kader van vredesoperaties. Indien gedaagde appellant toch zou blootstellen aan de zware fysieke belasting van een militaire parate functie, zou hij daarmee serieuze risico’s voor appellants gezondheid nemen.

6.7. Op grond van het vorenstaande staat genoegzaam vast dat appellant door ziekte of gebrek blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de dienst. Daarmee is de bevoegdheid van gedaagde om appellant op grond van het bepaalde in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, van het AMAR te ontslaan gegeven.

6.8. Appellant heeft aangevoerd dat gedaagde hem als militair had moeten handhaven door dispensatie te verlenen van de door gedaagde gehanteerde fysieke eisen. Die stelling strekt kennelijk mede ten betoge dat - in aanmerking genomen dat de afwijkingen die de ongeschiktheid van appellant veroorzaken door of in verband met de dienst zijn ontstaan - gelet op het grote belang van appellant bij handhaving van zijn rechtspositie als militair en mede gelet op zijn langdurige en goede staat van dienst en zijn leeftijd, gedaagde van zijn ontslagbevoegdheid geen gebruik had behoren te maken. In dat verband heeft appellant tevens gesteld dat gedaagde anderen in een vergelijkbare situatie geen ontslag heeft verleend. Ook heeft appellant naar voren gebracht dat zonder geldelijke compensatie van het nadeel dat voor hem door het ontslag als militair is ontstaan het ontslagbesluit niet genomen had mogen worden. Hij heeft gesteld dat gedaagde gehouden zou zijn hem als militair te plaatsen in de functie van Hoofd van het Bureau Milieu en Arbo bij het Garnizoen Oirschot, de functie waarin hij per 1 oktober 1999 als burgerambtenaar is benoemd.

6.9. Gedaagde heeft in hoger beroep uiteenzet gezet dat en onder welke omstandigheden hij ten gunste van de individuele betrokkene geen gebruik maakt van zijn hier van belang zijnde ontslagbevoegdheid. Dat is in het laatste decennium in minder dan tien gevallen gebeurd in situaties waarin de ziekte of het gebrek het rechtstreekse gevolg was van de uitoefening van de militaire dienst in een oorlogssituatie of daarmee vergelijkbare omstandigheden en ten aanzien van medische ongeschikte militairen voor wie het ontslag zou plaats vinden kort voor hun pensionering. Een daarmee vergelijkbare situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor, zodat appellant zich, ook naar het oordeel van de Raad, tevergeefs beroept op het gelijkheidsbeginsel. De omstandigheden van het onderhavige geval zijn niet zodanig bijzonder dat gedaagde rechtens zou zijn gehouden om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om ten gunste van appellant af te wijken van het onder 5.3. uiteengezette beleid.

6.10. Met erkenning van de voor appellant op het spel staande gewichtige belangen, kan voorts niet worden gezegd dat de voor appellant door het ontslagbesluit optredende nadelen onevenredig zijn in verhouding met de met het besluit te dienen doelen, ook voorzover gedaagde heeft nagelaten appellant volledig te compenseren voor de financiële gevolgen van het verlies van zijn rechtspositie als militair. Die gevolgen zijn overigens deels ondervangen door de benoeming van appellant als Hoofd van het Bureau Milieu en Arbo bij het Garnizoen Oirschot. Gedaagde was, anders dan appellant heeft betoogd, gelet op zijn dienstongeschiktheid, niet gehouden om appellant deze burgerfunctie als militair toe te wijzen. Het ontslag is verleend per uiteindelijk 1 oktober 1999. Dat is in elk geval niet ongunstiger dan voortvloeit uit het door gedaagde gevoerde beleid om medisch ongeschikt defensiepersoneel vanaf de eerste ziektedag van de tot dienstongeschiktheid leidende mutatie of vanaf de aanvraagdatum van een MGO gedurende twee jaren ontslagbescherming te bieden. Het hoger beroep tegen uitspraak D slaagt niet en ook deze uitspraak dient te worden bevestigd.

De gevraagde dispensatie (nr. 00/5338 MAW)

7.1. Op 12 mei 1999 heeft appellant aan gedaagde verzocht om “Dispensatie,van de Staatssecretaris van Defensie, om als militair gehandhaafd te worden conform het gestelde in de brief BLS KL. 15.399, d.d. 29 oktober 1993”. Dat verzoek is afgewezen bij brief van 4 augustus 1999 en het daartegen ingediende bezwaar is bij besluit van 8 mei 2000 (besluit E) door gedaagde ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 17 augustus 2000, nr. AWB 00/6515 MAWKLA (uitspraak E) ongegrond verklaard.

7.2. Met het verzoek om dispensatie vraagt appellant in wezen aan gedaagde om geen gebruik te maken van diens bevoegdheid om hem wegens medische ongeschiktheid te ontslaan. Het zeven dagen na het verzoek van appellant bekendgemaakte ontslagbesluit impliceert dat gedaagde geen aanleiding had gevonden van zijn ontslagbevoegdheid geen gebruik te maken. De aspecten vermeld in het verzoek van appellant en zijn tegen de brief van 4 augustus 1999 gerichte bezwaar hebben onderdeel uitgemaakt van de besluitvorming inzake de ontslagverlening en de handhaving van het ontslagbesluit. Uit het vorenstaande volgt dat aan de brief van 4 augustus 1999 geen zelfstandige betekenis toekomt, zodat in zoverre niet gesproken kan worden van een besluit. Het daartegen gerichte bezwaar had gedaagde dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren en de rechtbank had besluit E moeten vernietigen, met niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. De Raad zal daarom uitspraak E en besluit E vernietigen, zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

De beslissing naar aanleiding van het IGO (nr. 00/5339 MAW)

8.1. Op 27 mei 1999 heeft appellant aan gedaagde gevraagd om een voor beroep vatbare beslissing met betrekking tot het definitieve resultaat van het op 18 maart 1996 gehouden IGO. Bij besluit van 5 augustus 1999 heeft gedaagde dat verzoek afgewezen, omdat appellant daarbij, na de afronding van het MGO en herhaald MGO, geen belang meer zou hebben. Het daartegen gerichte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 10 mei 2000 (besluit F) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 17 augustus 2000, nr. AWB 00/6514 MAWKLA (uitspraak F) ongegrond verklaard.

8.2. Gedaagde heeft erkend dat hij indertijd ten onrechte geen concreet besluit gebaseerd op de resultaten van het IGO heeft genomen. De rechtbank heeft gedaagde gevolgd in zijn betoog dat appellant geen concreet belang meer heeft bij een beslissing dienaan-gaande. Appellant betoogt dat zijn belang daarin is gelegen dat het MGO voortborduurt op het IGO. Deze grief faalt, reeds omdat, zoals hiervoor onder 6.5. al is overwogen, het MGO ook ingesteld mocht worden zonder dat een definitieve beslissing op basis van het IGO was genomen. Uitspraak F dient derhalve te worden bevestigd.

De inkomensgarantie (nr. 00/5022 MAW)

9.1. Ingevolge het Uitvoeringsbeleid overgangsbepalingen Koninklijke landmacht zou appellant met ingang van 1 november 1999 in aanmerking komen voor het salaris van een adjudant, indien hij althans op dat moment zou voldoen aan de criteria voor bevordering en geen functie als adjudant voor hem beschikbaar zou zijn.

Bij rekest van 28 mei 1999 heeft appellant gevraagd om toekenning van deze inkomens-garantie met terugwerkende kracht tot 1 september 1998. Dat verzoek heeft gedaagde bij besluit van 25 juni 1999 afgewezen. Gedaagde heeft het daartegen gerichte bezwaar bij besluit van 2 december 1999 (besluit G) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep daartegen in haar uitspraak van 8 augustus 2000, nr. AWB 00/346 MAWKLA ongegrond verklaard (uitspraak G).

9.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet voldoet aan de gestelde criteria om voor een inkomensgarantie in aanmerking te komen. Appellant haalt de op hem van toepassing zijnde maximum looptijd van twaalf jaren in zijn huidige rang niet en is bovendien medisch ongeschikt verklaard voor de militaire dienst en niet inzetbaar voor operationele taken, zodat hij niet voldoet aan de criteria voor bevordering. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraken van 11 mei 2000, gepubliceerd in TAR 2000, 92 en 93.

9.3. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat gedaagde niet was gehouden om in afwijking van zijn beleid appellant op billijkheidsgronden toch voor de gevraagde inkomensgarantie in aanmerking te brengen. De situatie van appellant is niet zo bijzonder dat gedaagde in redelijkheid niet heeft kunnen nalaten zijn inherente afwijkingsbevoegd-heid ten gunste van appellant te gebruiken. Uitspraak G komt voor bevestiging in aanmerking.

De aanstelling als hoofd van het bureau Milieu en Arbo (nr. 00/5333 AW)

10.1. Met ingang van 1 oktober 1999 is appellant aangesteld als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie in de functie van Hoofd van het Bureau Milieu en Arbo bij het Garnizoen Oirschot. Tegen dat op 9 september 1999 aan appellant uitgereikte besluit heeft hij bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 6 juni 2000 door gedaagde ongegrond is verklaard (besluit H). Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 17 augustus 2000, nr. AWB 00/6518 AW (uitspraak H) ongegrond verklaard.

10.2. Het hoger beroep tegen uitspraak H wordt uitsluitend gedragen door de grief

- zakelijk samengevat - dat appellant niet als militair had mogen worden ontslagen, maar als militair in de betreffende burgerfunctie had moeten worden benoemd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen treft deze grief geen doel, zodat uitspraak H dient te worden bevestigd.

Samenvatting en conclusies

11.1. De uitspraken A en E en de bestreden besluiten A en E worden vernietigd en de Raad zal zelf in die zaken voorzien door de bezwaren alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Alle overige aangevallen uitspraken komen, als voormeld, voor bevestiging in aanmerking.

11.2. De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in hoger beroep met betrekking tot de uitspraken A en E en in eerste aanleg met betrekking tot de besluiten A en E. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant in eerste aanleg ten bedrage van € 966,- en in hoger beroep ten bedrage van eveneens € 966,-, derhalve in totaal € 1.932,-.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken A en E en de bestreden besluiten A en E;

Verklaart de bezwaren gericht tegen de brieven van 22 augustus 1997, 9 november 1998 en 4 augustus 1999 alsnog niet-ontvankelijk;

Bevestigt de uitspraken B, C, D, F, G en H;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht ten aanzien van de zaken waarop uitspraak A en uitspraak E betrekking hebben, in totaal tot een bedrag van € 512,78 (voorheen f 1.130,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD