Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2003
Datum publicatie
20-11-2003
Zaaknummer
01/1690 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is in onvoldoende mate getracht passende arbeid te verkrijgen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1690 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank 's-Gravenhage onder dagtekening 2 februari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij onder meer het besluit op bezwaar van 30 mei 2000 (het bestreden besluit) is vernietigd.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 augustus 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.G. Koch, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot H.H. Hessing.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde was sedert 1986 werkzaam als [naam functie] bij Fokker Aircraft. Wegens het faillissement van de werkgever is gedaagde op 30 juni 1997 werkloos geworden. Per die datum is haar een loongerelateerde uitkering krachtens de WW toegekend van maximaal drie jaar, gebaseerd op 38 arbeidsuren per week en berekend naar het maximum dagloon. Sedert augustus 1999 is gedaagde werkzaam als docente Engels aan een middelbare school in een omvang van 12 uur per week verspreid over woensdag, donderdag en vrijdag en sedert oktober 1999 daarnaast nog als docente in het volwassenen- onderwijs -globaal- op maandag en dinsdag telkens twee uur per week.

Bij het besluit van 18 februari 2000 heeft appellant gedaagde ervan in kennis gesteld dat gebleken is dat zij in de periode van 10 januari 2000 tot en met 6 februari 2000 in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd. Blijkens het op die periode betrekking hebbende werkbriefje heeft gedaagde drie activiteiten vermeld die door appellant zijn aangemerkt als concrete sollicitaties. De vermelding in de derde week van die periode dat gedaagde er de Volkskrant op heeft nagelezen, heeft appellant niet als zodanig aangemerkt. In de opvatting van appellant heeft gedaagde daardoor niet voldaan aan de verplichting om iedere week tenminste één concrete en verifieerbare sollicitatie te verrichten. Voor die verplichting verwijst appellant naar het op

1 april 1998 in werking getreden Besluit sollicitatieplicht werknemers WW.

In verband daarmee is gedaagde een maatregel opgelegd in de vorm van een korting op de uitkering van 20% gedurende

16 weken.

Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar van gedaagde ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak (waarin gedaagde als eiseres is aangeduid en appellant als verweerder) heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 18 februari 2000 herroepen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Daartoe is, onder vaststelling dat gedaagde slechts in één van de vier weken vermeld op het betreffende werkbriefje geen concrete sollicitatie-activiteiten heeft ondernomen maar in alle andere weken wel, als volgt overwogen:

"Van belang is dat op basis van de individuele omstandigheden, zoals de verrichte sollicitatie-activiteiten in de vier weken van de beoordelingsperiode, de arbeidsmarktsituatie voor de uitkeringsgerechtigde, de leeftijd, het opleidingsniveau en de ervaring van de uitkeringsgerechtigde, in samenhang bezien, vastgesteld dient te worden of in (on)voldoende mate is getracht passende arbeid te verkrijgen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken dat eiseres in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Eiseres heeft allereerst slechts in één van de vier weken niet voldaan aan de minimumeis van één sollicitatie-activiteit per week en dit is -naar eiseres onweersproken heeft gesteld- tot nu toe de eerste en enige keer geweest vanaf het moment dat zij een WW-uitkering ontvangt.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting gesteld dat onder het oude beleid in een geval als het onderhavige zou zijn volstaan met een waarschuwing. Voorts kan niet worden gezegd dat er sprake is van een oorzakelijk verband tussen het in die ene week niet in voldoende mate ontplooien van activiteiten om voor haar geschikte arbeid te vinden en het (voort)bestaan van haar werkloosheid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de sedert het intreden van haar werkloosheid door eiseres ontplooide sollicitatie-activiteiten -buiten haar werkzaamheden in het onderwijs- nimmer tot het gewenste resultaat hebben geleid. Dat van eiseres, gezien de duur van haar werkloosheid, in het kader van de WW verlangd mag worden dat zij ook naar banen op een lager niveau kijkt, doet aan het vorenstaande niet af.

Gelet op het hiervoor overwogene had verweerder dan ook van het opleggen van een maatregel moeten afzien.".

In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen het onvoldoende, althans niet conform de sollicitatierichtlijnen, solliciteren en werkloos blijven, verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2000, gepubliceerd in RSV 2001/10, waaruit valt op te maken dat bij het niet nakomen van de eis dat een aantal malen wordt gesolliciteerd per periode (in het in deze uitspraak berechte geval was er een eis van vier sollicitaties per vier weken) in beginsel causaal verband aangenomen mag worden.

Voorts heeft appellant benadrukt dat uit onderzoek in de dagbladen is gebleken dat er voorafgaande aan de week waarin gedaagde niet heeft gesolliciteerd een aantal passende vacatures te duiden waren, waarop gedaagde niet gesolliciteerd heeft. Daarnaast had het gezien de lange duur van de werkloosheid van gedaagde ook op haar weg gelegen om open sollicitaties te verrichten. Naar de mening van appellant was er gelet op deze constateringen en gezien de achtergrond van gedaagde een meer dan hypothetische kans op het verkrijgen van passende arbeid, indien gedaagde voldoende had gesolliciteerd.

Met betrekking tot de overweging van de rechtbank dat gedaagde voor de eerste en tot nu toe enige keer niet voldoet aan de minimumeis ten aanzien van de sollicitatie-activiteiten, merkt appellant op dat de beoordeling van de sollicitatieplicht zich beperkt tot de periode van het desbetreffende werkbriefje. Het lijkt erop dat de rechtbank van appellant verlangt dat hij in gevallen als het onderhavige onderzoekt of er voor of na de beoordeelde periode veel of in elk geval voldoende gesolliciteerd is. Deze eis komt appellant uit een oogpunt van uitvoering van de regelgeving en vanuit een oogpunt van duidelijkheid richting belanghebbende onjuist voor.

Ten slotte is appellant van mening dat de rechtbank miskent dat sinds de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid niet meer de mogelijkheid van een waarschuwing bij niet-nakoming van de sollicitatieplicht bestaat.

In haar verweerschrift heeft gedaagde onder meer aangegeven dat zij niet volledig werkloos was aangezien zij in de desbetreffende periode tussen de 14 en 18 uur per week voor de klas stond, waarmee tussen de 19 en 25 werkuren gemoeid waren. Om voor de ontbrekende uren werk te vinden, viel haar niet mee. In 2½ jaar heeft zij ongeveer 150 sollicitaties verricht, zijnde meer dan één per week.

Van de tien vacatures die bij het behandelen van het bezwaarschrift werden getoond waren er slechts twee interessant, vooropgesteld dat zij daarmee de resterende uren waarvoor zij uitkering kreeg zou kunnen vullen.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals uit zijn jurisprudentie blijkt, is de Raad van oordeel dat appellant bij de beantwoording van de vraag of in voldoende mate is getracht passende arbeid te verwerven, in beginsel als uitgangspunt kan hanteren dat een werkloze minstens één concrete sollicitatie per week verricht. Echter, met een beoordeling van de inspanning om passende arbeid te verwerven die uitsluitend is gebaseerd op dit getalsmatige gegeven, zal niet steeds kunnen worden volstaan omdat immers alle van belang zijnde omstandigheden en factoren in aanmerking dienen te worden genomen.

Wat die omstandigheden betreft wijst de Raad er in de eerste plaats op dat gedaagde in de periode in geding bijna 2½ jaar werkloos was. Zij verrichtte toen weliswaar werkzaamheden in een omvang variërend van 19 tot 25 uur per week, maar desondanks resteerde een substantiële uitkering, zodat er geen reden is om lagere eisen te stellen. Voorts mocht, gelet op de duur van de werkloosheid, van gedaagde verwacht worden dat zij zich ten aanzien van de te verwerven werkzaamheden, breed zou oriënteren, hetgeen onder meer betekent dat zij zich niet kon beperken tot het zoeken naar arbeid waarmee zij de resterende WW-uitkering zou kunnen dekken, de zogenoemde opvularbeid. Verder had zij weliswaar een relatief hoge scholing en een achtergrond met gespecialiseerd werk met een dienovereenkomstig salaris, terwijl ook haar leeftijd niet steeds in haar voordeel zal hebben gewerkt, maar dat betekende niet dat zij kon volstaan met het zoeken naar functies op haar eigen voormalige (salaris)niveau.

Hoewel het de Raad duidelijk is dat een groot aantal afwijzingen niet bevorderlijk zal zijn voor de inzet en het enthousiasme om te solliciteren, acht de Raad, wederom gelet op de duur van de werkloosheid, onvoldoende redenen aanwezig waarom van gedaagde niet gevergd kon worden dat zij tenminste één sollicitatie per week verrichtte. Tenslotte is er evenmin aanleiding om uit het totaal aantal sollicitaties over de afgelopen jaren -gedaagde noemt in dat verband overigens verschillende aantallen- af te leiden dat zij in de thans beoordeelde periode kon volstaan met een gering aantal.

Nu niet bestreden is dat gedaagde in de betreffende periode niet iedere week één concrete sollicitatie heeft verricht, en er geen aanleiding is om op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden af te wijken van het hiervoor weergegeven algemene uitgangspunt, komt de Raad dan ook tot het oordeel dat gedaagde in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verwerven. Met betrekking tot het door de rechtbank gegeven oordeel over het ontbreken van het verband tussen het voortbestaan van de werkloosheid en het in onvoldoende mate verrichten van sollicitatie-activiteiten onderschrijft de Raad tot slot het hiervoor weergegeven standpunt van appellant.

Appellant was derhalve gehouden een maatregel op te leggen. Nu de Raad voorts niet van omstandigheden is gebleken die tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid nopen, komt de Raad tot het oordeel dat appellant op goede gronden heeft besloten gedaagde een korting van 20% gedurende 16 weken op te leggen.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit ten onrechte door de rechtbank is vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.