Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
20-11-2003
Zaaknummer
00/3911 WW, 00/3912 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing artt. 19, 20 en 21 WW. Voor de beantwoording van de vraag of betrokkene meer dan zes maanden buiten Nederland heeft gewoond gelden de feitelijke omstandigheden als uitgangspunt. Inschrijving in de GBA is hiervoor niet voldoende.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/3911 WW

00/3912 WW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 20 juni 2000 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brieven van 12 juni 2002, 20 november 2002 en 12 december 2002 heeft mr. H. Weinans, advocaat te Roosendaal, namens gedaagde nadere stukken ingezonden en van verweer gediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juli 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.M. Kleijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Weinans, voornoemd.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 15 april 1994 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 4 april 1994 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Deze uitkering is met ingang van 4 oktober 1997 geëindigd wegens het bereiken van de maximum- uitkeringsduur.

Naar aanleiding van informatie van het ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieuhygiëne, is het vermoeden ontstaan dat gedaagde niet in Nederland maar in België woonachtig zou zijn terwijl hij dat niet op de voorgeschreven wijze aan appellant had meegedeeld. J.C.M. Huijbrechts, opsporingsfunctionaris bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., heeft terzake een onderzoek ingesteld, waarvan door hem verslag is gedaan in zijn rapport werknemersfraude, gedateerd 6 juni 1998.

Op grond van de bevindingen, neergelegd in bedoeld rapport werknemersfraude, heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat gedaagde over de periode 29 april 1994 tot 4 oktober 1997 ten onrechte uitkering ingevolge de WW heeft ontvangen omdat hij vanaf 29 april 1994 niet meer in Nederland woonachtig was, van welk feit hij geen mededeling heeft gedaan aan appellant. Bij besluit van 13 augustus 1998 heeft appellant vastgesteld dat het recht van gedaagde op uitkering ingevolge de WW met ingang van 29 april 1994 is geëindigd en heeft hij van gedaagde een bedrag teruggevorderd van € 49.950,18 (f 110.075,72) ter zake van hetgeen onverschuldigd aan gedaagde was betaald. Bij besluit van 8 juni 1999 (hierna: bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 13 augustus 1998 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 2 maart 1999 heeft appellant de afbetalingsregeling vastgesteld, inhoudende dat gedaagde maandelijks een bedrag van € 329,40 (f 725,90) dient terug te betalen. Bij besluit van eveneens 8 juni 1999 (hierna: bestreden besluit 2) heeft appellant naar aanleiding van het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 2 maart 1999 dat besluit herzien, bepaald dat maandelijks een bedrag dient te worden terugbetaald van € 289,01 (f 636,90) en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften van gedaagde, gericht tegen de besluiten van

13 augustus 1998 en 2 maart 1999. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde, die op 29 april 1994 met zijn ex-echtgenote is verhuisd naar Brasschaat (België), ondanks hetgeen uit het bevolkingsregister naar voren komt, waaronder de inschrijving van gedaagde, op 5 oktober 1994 in de gemeente [woonplaats] (Nederland), gedurende een periode van langer dan zes maanden buiten Nederland heeft gewoond. Het aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde standpunt achtte de rechtbank derhalve onvoldoende onderbouwd, zodat dat besluit door haar in strijd werd geacht met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op het feit dat bestreden besluit 1 zal worden vernietigd, heeft de rechtbank overwogen dat aan bestreden besluit 2 de grondslag komt te ontvallen, zodat ook dat besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Appellant heeft de juistheid van het oordeel van de rechtbank gemotiveerd betwist en geconcludeerd dat zijn in het bestreden besluit 1 verwoord standpunt dat gedaagde met ingang van 29 april 1994 meer dan zes maanden in België heeft gewoond op een voldoende feitelijke grondslag is gebaseerd. Voor zover de in bezwaar en in beroep bij de rechtbank aangevoerde argumenten nog bespreking behoeven, heeft appellant verwezen naar de bestreden besluiten en naar zijn in beroep bij de rechtbank ingediend verweerschrift, waarmee appellant die argumenten voldoende weersproken acht.

In verweer heeft gedaagde zich achter het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, gesteld en de eerder, in bezwaar en in beroep bij de rechtbank aangevoerde, stellingen gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats is aan de orde de vraag of appellant terecht en op goede gronden aan het bestreden besluit 1 de opvatting ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde met ingang van 29 april 1994 gedurende meer dan zes maanden buiten Nederland heeft gewoond of verblijf heeft gehouden anders dan wegens vakantie. Als die vraag bevestigend dient te worden beantwoord, volgt uit artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, en artikel 21, derde lid, van de WW dat het recht van gedaagde op uitkering ingevolge die wet met ingang van 29 april 1994 is geëindigd en niet meer kan herleven.

Ook voor de Raad geldt als uitgangspunt dat ter beantwoording van even vermelde vraag de feitelijke omstandigheden van het geval beslissend zijn te achten. Het betoog namens gedaagde in hoger beroep, inhoudende dat aan de ratio van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW dient te worden ontleend dat het bij de term "buiten Nederland woont of verblijf houdt" dient te gaan om de beantwoording van de vraag in welk land zich het zwaartepunt van iemands bestaan ligt, kan naar het oordeel van de Raad niet slagen, nu daarvoor in de bewoordingen van laatstgenoemde bepaling, alsmede in zijn vaste jurisprudentie terzake, niet genoegzaam steun is te vinden.

Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) niet het uitgangspunt vormt bij de in aanmerking te nemen feitelijke omstandigheden als voren bedoeld. De omstandigheid dat ingezetenen ingevolge de Wet gemeentelijke basisadministratie verplicht zijn schriftelijk aangifte te doen van adreswijziging biedt daartoe onvoldoende steun. Het (formele) feit dat een bepaalde persoon op een bepaald adres staat ingeschreven, brengt immers niet mee dat daarmee is gegeven dat die persoon ook (feitelijk) op dat adres woont of verblijf houdt. In het geval van gedaagde komt dat pregnant naar voren, nu uit de GBA blijkt dat gedaagde tot zijn vertrek per 29 april 1994 naar Brasschaat (België) stond ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats], terwijl uit de verklaring van [A.], afgelegd tegenover J.C.M. Huijbrechts op 3 juni 1998, volgt dat gedaagde, voorafgaande aan zijn vertrek naar België, samen met zijn ex-echtgenote woonachtig was op [adres 2] te [woonplaats]. Ook in namens gedaagde door W. Nelisse, medewerker bij de Bouw- en Houtbond FNV te Roosendaal, geschreven brieven van 16 november 1993 en 17 december 1993 aan het Arbeidsbureau te Bergen op Zoom staat het adres [adres 2] te [woonplaats] genoemd als gedaagdes toenmalig woonadres. De door gedaagde ingevulde en ondertekende werkbriefjes vermelden, zowel voor 29 april alsook na 29 april 1994, als adres [adres 2] te [woonplaats]. De door gedaagde in eerste aanleg overgelegde afschriften van gedaagdes bankrekening (ten name van gedaagde en zijn ex-echtgenote) vermelden vanaf 29 maart 1994 ook [adres 2] te [woonplaats] als adres. Daarentegen, zo merkt de Raad nog op, vermelden de bankafschriften van voor laatstgenoemde datum het adres [adres 3], op welk adres volgens de GBA gedaagde wèl (van

12 april 1990 tot 10 juni 1993), maar gedaagdes ex-echtgenote nooit ingeschreven heeft gestaan. Kortom: de inschrijving in de GBA biedt, althans zeker in het voorliggende geval, onvoldoende houvast bij de beantwoording van de vraag waar gedaagde daadwerkelijk heeft gewoond of verblijf heeft gehouden en kan derhalve bij de beantwoording van die vraag niet als uitgangspunt gelden. Bovenvermelde gegevens wijzen er hoogstens op dat appellant voorafgaand aan zijn verhuizing naar Brasschaat in [woonplaats] woonde en voorts dat appellant het niet nauw neemt met zijn diverse opgaven.

In de voorhanden zijnde gegevens, op zich en in onderling verband bezien, ziet de Raad genoegzaam steun voor het oordeel dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde, na in april 1994 met zijn ex-echtgenote te zijn verhuisd naar Brasschaat (België), aldaar langer dan zes maanden heeft gewoond dan wel verblijf heeft gehouden. De Raad ziet voor dat oordeel met name steun in de verklaring van gedaagdes ex-echtgenote, door haar op 23 januari 1998 afgelegd tegenover J. Herremans en S. Ceulemans, politiebeambten te Brasschaat, in aanwezigheid van J.C.M. Huijbrechts, voornoemd. Tijdens dat verhoor heeft zij te kennen gegeven dat gedaagde bij haar in Brasschaat heeft verbleven van begin 1994 tot naar schatting maart 1995. Deze verklaring vindt deels steun in de verklaring van [A.], afgelegd tegenover

J.C.M. Huijbrechts op 3 juni 1998. Voorts wijst de Raad erop dat gedaagde nimmer heeft betwist dat hij in april 1994 tezamen met zijn ex-echtgenote is verhuisd naar Brasschaat te België en dat hij toen aldaar woonde. Gelet op de door de ex-echtgenote van gedaagde afgelegde verklaring acht de Raad voorts aannemelijk dat gedaagde langer dan zes maanden met de ex-echtgenote in België heeft gewoond. De omstandigheid dat gedaagde zich met ingang van 5 oktober 1994 heeft ingeschreven op het adres [adres 4] te [woonplaats], waar zijn zoon [naam zoon] woonachtig was, komt gelet op die verklaring onvoldoende betekenis toe om tot een andersluidend oordeel te komen. Hetzelfde oordeelt de Raad ter zake van de later, ter zitting van de rechtbank, door de ex-echtgenote en even genoemde zoon afgelegde verklaringen, reeds omdat er genoeg redenen zijn aan de eerdere afgelegde en ondertekende verklaring een grotere waarde toe te kennen dan aan de latere verklaring, afgelegd op een moment dat de betrokkenen zicht hebben op het belang en de consequenties van hun verklaringen. Hetgeen in dit kader namens gedaagde is aangevoerd, acht de Raad in elk geval onvoldoende om aan die eerdere verklaringen geen betekenis te hechten.

Voorts wijst de Raad er op dat gedaagde zijn stellingen met niet veel meer heeft onderbouwd dan met de inschrijving in het GBA per 5 oktober 1994 op het adres [adres 4]. Mede gelet op hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen omtrent de betekenis van een inschrijving in de GBA en omtrent de diverse adresvermeldingen door gedaagde, alsmede omtrent het gewicht van de afgelegde verklaringen van gedaagdes ex-echtgenote en zoon in het kader van de strafzaak, is de Raad van oordeel dat gedaagde de door hem ingenomen stellingen onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken.

Tenslotte wijst de Raad op het door de Hoge Raad, bij zijn arrest van 17 september 2002, in stand gelaten arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 januari 2001, waarin laatstgenoemde rechter te kennen heeft gegeven dat hij bewezen acht dat gedaagde gedurende de periode van 25 april 1994 tot 27 februari 1995 (en van 4 augustus 1997 tot

29 september 1997) tegenover appellant bewust heeft verzwegen dat hij niet in Nederland woonachtig was. Hoewel laatstbedoeld arrest in het thans aanhangige geschil niet rechtstreeks rechtskracht toekomt, kent de Raad, bij zijn oordeelsvorming in het voor hem aanhangige geschil, aan dat arrest bijzondere betekenis toe, in dier voege dat de vaststelling en waardering der feiten in dat arrest overeenkomen met zijn oordeel terzake, waarin de Raad steun ziet voor zijn, hierboven aangegeven, oordeel.

In hoger beroep is namens gedaagde de stelling herhaald dat de in het voorliggende geval toegepaste bepalingen uit de WW in strijd zijn met Europeesrechtelijke bepalingen. Verwijzende naar het betoog van appellant in het bestreden besluit 1 ter zake van artikel 69 van de EG-verordening no. 1408/71, achter welk betoog hij zich stelt, is de Raad van oordeel dat die stelling, ook nadat de gemachtigde van gedaagde daartoe ter zitting van de Raad uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende onderbouwd is gebleven, zodat die stelling om die reden geen nadere bespreking behoeft.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde voor het eerst de stelling betrokken dat appellant aanleiding had dienen te zien om de terugvordering, waar het betreft hetgeen onverschuldigd is betaald over de periode van 29 april 1994 tot 1 augustus 1996, te matigen, dan wel geheel van terugvordering af te zien. Nog daargelaten dat deze stelling, mede gelet op het moment waarop zij is betrokken, onvoldoende is onderbouwd of uitgewerkt, is de Raad van oordeel dat deze stelling zo laat in het geding is ingenomen dat de beginselen van behoorlijke procesorde aan een inhoudelijke beoordeling ervan in de weg staan.

Bovenstaande overwegingen leiden de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit 1 in rechte stand kan houden.

Met betrekking tot bestreden besluit 2 merkt de Raad op dat daartegen, zowel in beroep bij de rechtbank als in hoger beroep, geen inhoudelijke bezwaren zijn aangevoerd, zodat hij om die reden van oordeel is dat ook het bestreden besluit 2 in rechte in stand kan blijven.

De Raad acht, gelet op hetgeen hij hiervoor heeft overwogen, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.