Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
24-11-2003
Zaaknummer
01/1713 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestuursorgaan is in tegenstelling tot de rechter niet gehouden af te wijken van de medische besluitenregeling. De rechter is niet gehouden een terughoudende toepassing te geven aan art. 8:32, lid 2 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:32
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 88c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1713 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[Naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen:

[Werkneemster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: werkneemster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 19 oktober 1998 heeft appellant aan werkneemster met ingang van 18 mei 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant heeft het door K.J.J. Roesink, werkzaam bij A.S.R. Account and Taxservices, gevestigd te Bilthoven, namens gedaagde tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 28 september 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank Dordrecht heeft het door de gemachtigde van gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 28 september 1999 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 26 januari 2001 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, een en ander gepaard gaande met beslissingen omtrent vergoeding aan gedaagde van proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd is namens werkneemster kenbaar gemaakt dat zij als partij aan dit geding wenst deel te nemen en dat zij geen toestemming geeft om haar medische gegevens aan gedaagde ter kennisname te brengen.

Daartoe door de Raad in de gelegenheid gesteld heeft mr. drs. H. Aydemir, thans advocaat te Utrecht, namens werkneemster een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 september 2003, waar namens appellant mr. F.A.M. Delfgauw is verschenen, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde niet is verschenen. Werkneemster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

II. MOTIVERING

Werkneemster was bij gedaagde werkzaam als schoonmaakster/voorvrouw toen zij op

19 mei 1997 uitviel voor dit werk.

Bij het bestreden besluit heeft appellant het in rubriek I van deze uitspraak vermelde primaire besluit van 19 oktober 1998 gehandhaafd. Het primaire besluit berustte op de conclusie van de verzekeringsarts A. van Gorsel in zijn rapport van 12 maart 1998 dat werkneemster bij het einde van de wachttijd nog als volledig arbeidsongeschikt is te beschouwen.

De gemachtigde van gedaagde heeft in beroep aangevoerd dat werkneemster, gelet op haar functie als voorvrouw en anders dan gewone schoonmakers, de minst lichamelijk belastende werkzaamheden hoeft te verrichten. Daarbij wees de gemachtigde op de controlerende taken van werkneemster en op de werkzaamheden ten behoeve van de werkplanning en het personeelsrooster e.d.

Voorts heeft gedaagde betwist dat bij werkneemster sprake is van enige beperking. Verder heeft de gemachtigde van gedaagde gesteld dat er op de hoorzitting van

27 september 1999 naar zijn gevoel sprake is geweest van vooringenomenheid, nu aldaar door de aanwezige medewerker van de toenmalige uitvoeringsinstelling van appellant gesteld werd dat de Arbodienst van gedaagde niet direkt of indirekt met de uitvoeringsinstelling was verbonden en dat, indien zulks wel het geval was geweest, er geen onduidelijkheid zou zijn geweest. Daarnaast heeft de gemachtigde gesteld dat werkneemster onvoldoende medewerking heeft verleend aan haar terugkeer in het arbeidsproces. Tenslotte heeft de gemachtigde van gedaagde aangevoerd dat inschakeling van een arts-gemachtigde gedaagde in verband met het voor die arts geldende medisch geheim geen inzicht geeft in de medische status van werkneemster.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat de artikelen 88c en 88d van de WAO wegens strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onverbindend moeten worden geacht. Daartoe heeft de rechtbank gewezen op de in de WAO opgenomen regeling met betrekking tot medische besluiten, welke inhoudt dat, indien de werknemer geen schriftelijke toestemming geeft betreffende de inzage door de werkgever van enig stuk dat medische gegevens bevat, zo'n stuk slechts mag worden verstrekt aan een gemachtigde van de werkgever die arts is. De geheimhoudingsplicht van die arts met betrekking tot medische gegevens geldt ook jegens de werkgever. Deze arts-gemachtigde treedt derhalve, aldus de rechtbank, niet namens maar in de plaats van de werkgever op. Dit laatste brengt, mede gezien de beroepsethiek van de ingeschakelde arts, mee dat hij een standpunt in de procedure kan voordragen dat niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met dat van de werkgever. In verband met een en ander scheppen volgens de rechtbank de artikelen 88c en 88d van de WAO bij weigering door de werknemer van toestemming tot inzage van diens medische gegevens aan de werkgever onvoldoende waarborgen om te voldoen aan de uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende eis van "equality of arms".

Appellant heeft in hoger beroep gewezen op inmiddels verschenen jurisprudentie van de Raad - blijkend uit onder andere de uitspraak van 20 juli 2001 (USZ 2001/199 en RSV 2001/205) - welke er op neerkomt dat bij weigering van toestemming van de werknemer tot overlegging aan de werkgever van de medische gegevens in eerste aanleg sprake is van inbreuk op de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende elementaire eisen van een eerlijk proces. Aan deze eisen kan, aldus appellant, worden voldaan door in beroep en in hoger beroep artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - en de artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend - toe te passen in die zin dat inzage in dan wel kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer wordt voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen.

Wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak heeft appellant verwezen naar het bestreden besluit.

De Raad is van oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij in zijn uitspraak van 13 februari 2002 (RSV 2002/130) heeft geoordeeld dat een bestuursorgaan - anders dan de rechter - op grond van artikel 6 van het EVRM niet kan worden geacht gehouden te zijn af te wijken van de medische besluitenregeling en met name van artikel 88c van de WAO in het kader van de heroverweging in bezwaar van een eerder genomen besluit. Er is dan ook geen grond om, zoals de rechtbank heeft gedaan, op de haar gebezigde, hiervoor samengevat weergegeven, overwegingen het bestreden besluit te vernietigen. Voorts ziet de Raad er niet aan voorbij dat de rechtbank bij gebreke van de meerbedoelde toestemming van de werknemer in de procedure in eerste aanleg zelf toepassing had dienen te geven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking genomen dat de voorliggende stukken nadere behandeling door de rechtbank niet aangewezen doen zijn en partijen ook niet anderszins hebben verzocht - appellant noch werkneemster hebben een voorkeur uitgesproken voor terugwijzing, terwijl gedaagde heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak - beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend en zal hij de zaak met toepassing van artikel 24 van de Beroepswet zelf afdoen.

De Raad heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb een deel van de door appellant bij brief van 15 maart 2002 overgelegde stukken als zijnde de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische stukken ter kennis gebracht aan de gemachtigde van gedaagde en het overige deel van de door het Uwv ingediende stukken zonder die toepassing toegezonden aan deze gemachtigde. Nadien heeft de Raad er op gewezen dat een overgelegd arbeidskundig rapport van 4 september 1998 niet deze zaak betreft en heeft appellant bij brief van 6 maart 2003 meegedeeld dat het door de Raad gevraagde rapport van de verzekeringsarts van 26 juli 1998 niet bestaat, althans niet betreffende werkneemster, dat er geen ziektewetdossier ten name van werkneemster is en dat de eerstvolgende beoordeling van werkneemster na het verzekeringsgeneeskundig rapport van 12 maart 1998 in het kader van de eerstejaars herbeoordeling plaatsvond op 4 september 2001. Van het van deze beoordeling door de verzekeringsarts op die dag opgemaakte rapport heeft appellant nadien een op 13 maart 2003 uitgetypte versie ingestuurd en ten aanzien van deze versie heeft de Raad eveneens artikel 8:32, tweede lid, van de Awb toegepast.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van werkneemster terughoudende toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb bepleit ten aanzien van een gemachtigde als die van gedaagde omdat er geen tuchtrechtelijke toetsing bestaat inzake de naleving door die gemachtigde van de geheimhoudingsplicht. Mede gelet op het feit dat artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht opzettelijke schending van een uit hoofde van onder andere een beroep dan wel een wettelijk voorschrift te bewaren geheim met straf bedreigt, ziet de Raad voor een toepassing als door de gemachtigde van werkneemster bepleit geen aanleiding.

Wat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ten gronde betreft overweegt de Raad dat de in geding zijnde toekenning van een WAO-uitkering aan werkneemster op basis van uitsluitend het rapport van de verzekeringsarts A. van Gorssel van

12 maart 1998 weliswaar op zichzelf bezien niet geheel overtuigend is, maar dat dit rapport, beoordeeld in samenhang met de nadien beschikbaar gekomen medische gegevens van werkneemster en de daarop gebaseerde conclusie omtrent haar inzetbaarheid voor arbeid, zoals die naar voren komen in het op 13 maart 2003 op schrift gestelde rapport van de hiervoor vermelde eerstejaars herbeoordeling, waarin sprake is van onveranderde pijnklachten van de nek en rug met uitstraling in beide benen en van bijkomende klachten van spier- en gewrichtspijnen, niettemin voldoende grondslag biedt voor de - van de zijde van gedaagde na de toepassing in deze zaak van artikel 8:32, eerste lid, van de Awb verder ook niet meer betwiste - conclusie van Van Gorssel dat werkneemster reeds bij het bereiken van het einde van de wachttijd volledig arbeidsongeschikt was. De Raad neemt daarbij tevens in aanmerking dat van de zijde van werkneemster ter zitting met klem is betwist dat haar werkzaamheden als voorvrouw lichter zouden zijn dan die van schoonmaker.

Met betrekking tot de overige gronden van het beroep overweegt de Raad dat hem uit de behandeling van de bezwaarprocedure door appellant en in het bijzonder uit het proces-verbaal van de op 27 september 1999 gehouden hoorzitting niet is gebleken dat van de zijde van appellant bij de voorbereiding van het bestreden besluit sprake is geweest van vooringenomenheid in de zin van artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Voorts komt uit het verslag van die hoorzitting niet het doen van uitlatingen namens appellant naar voren als in beroep door de gemachtigde van gedaagde gesteld.

Ten aanzien van de grief dat werkneemster onvoldoende heeft meegewerkt aan haar herinschakeling in het arbeidsproces overweegt de Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 augustus 2002 (USZ 2002/265) - dat, wat ook van het standpunt van gedaagde op dit punt zij, in de WAO, zoals deze gold ten tijde van de datum in geding - en anders dan sinds 1 april 2002 mogelijk is door een wijziging van de WAO ingevolge de Wet verbetering poortwachter (Stb. 2001, 628) - niet de mogelijkheid was opgenomen om toekenning van een WAO-uitkering te weigeren aan een werknemer die niet meewerkt aan zijn of haar reïntegratie.

Uit al het vorenstaande volgt dat het inleidend beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en

mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

CVG