Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
24-11-2003
Zaaknummer
02/3408 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kan een opvolgend werkgeefster als belanghebbende worden aangemerkt, als haar redelijkerwijs niet is te verwijten dat zij zelf geen bezwaar of beroep heeft ingesteld?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/3408 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen:

[Naam werkneemster], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: werkneemster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 28 december 2000 heeft gedaagde aan werkneemster met ingang van

8 februari 2000 een vervolguitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens werkneemster gemaakte bezwaar bij besluit van 15 november 2001 ongegrond verklaard met dien verstande dat de ingangsdatum van haar recht op een WAO-uitkering werd vastgesteld op 4 april 1999.

De rechtbank Amsterdam heeft het namens werkneemster ingestelde beroep tegen het besluit van 15 november 2001 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van

10 mei 2002 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene. Bij deze uitspraak zijn tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding aan werkneemster van de proceskosten en het griffierecht.

Namens appellante heeft mr. H.H.A. Lewin, advocaat te Rotterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden en onder overlegging van een aantal bijlagen tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe door de Raad in de gelegenheid gesteld, heeft namens werkneemster mr. J.G. Burgers, advocaat te Amsterdam, kenbaar gemaakt dat werkneemster als partij aan het geding wenst deel te nemen en geen toestemming geeft om haar medische gegevens aan appellante ter kennisname te brengen.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het rapport van de verzekeringsarts van 15 juni 2000 ter

kennis gebracht van de gemachtigde van appellante, die hierop, alsmede op de overige hem toegezonden gedingstukken bij brief van 9 april 2003 heeft gereageerd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de Raad, heeft de gemachtigde van werkneemster bij brief van 23 juni 2003 een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 september 2003, waar namens appellante is verschenen C.M.J. van der Heerik, bijgestaan door mr. C. Chan, kantoorgenote van mr. Lewin, en waar namens gedaagde is verschenen

mr. F.A.M. Delfgaauw, werkzaam bij het Uwv. Als partij is voorts verschenen de werkneemster, bijgestaan door haar gemachtigde, voornoemd.

II. MOTIVERING

De voor de oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden zijn in de aangevallen uitspraak, waarin werkneemster als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid, vrijwel geheel met juistheid als volgt weergegeven:

"Eiseres heeft sedert 1 januari 1991 schoonmaakwerkzaamheden verricht in dienst van Initial Dienstverlening Nederland B.V. Sinds 1996 was zij werkzaam als supervisor. Op

1 december 1999 is Initial Dienstverlening B.V. overgenomen door [naam B.V.] Op 29 november 1999 is eiseres voor haar werkzaamheden uitgevallen in verband met schouderklachten. In verband hiermee heeft eiseres verweerder verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 28 december 2000 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aan haar met ingang van 8 februari 2000 een WAO-uitkering wordt toegekend berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de datum met ingang waarvan eiseres recht heeft op een WAO-uitkering gesteld op 4 april 1999. Hierbij heeft verweerder overwogen dat bij onderzoek naar het recht van eiseres op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is gebleken dat eiseres in de periode van 3 maart 1998 tot 4 januari 1999, op 12 januari 1999 en vanaf 9 februari 1999 als gevolg van ziekte niet heeft gewerkt. Verweerder heeft dit gebaseerd op daglijsten van het hotel waar eiseres in die periode te werk was gesteld via haar toenmalige werkgever

Initial Dienstverlening B.V. Op grond van deze gegevens heeft verweerder de eerste ziektedag van eiseres vastgesteld op 3 maart 1998. Onder toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WAO is verweerder vervolgens op 4 april 1999 als ingangsdatum voor de WAO-uitkering genomen."

In eerste aanleg stelde werkneemster zich op het standpunt dat zij op 12 januari 1999 niet ziek was, dat zij op 1 september 1999 haar werk weer had hervat en dat de wachttijd van 52 weken pas aanving met haar ziekmelding op 29 november 1999. Blijkens zijn verweerschrift in eerste aanleg handhaafde gedaagde zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt omtrent de aanvang en het einde van de in dit geval samengestelde wachttijd vanwege zijn stelling dat werkneemster zich ook op 12 januari 1999 ziek had gemeld. Gedaagde gaf voorts aan dat in het bestreden besluit na de vermelding van andermaal uitval van werkneemster op 9 februari 1999 abusievelijk staat aangegeven dat werkneemster tot 29 november 1999 ziek is gebleven. In plaats van dit laatste moet, aldus gedaagde, worden gelezen dat zij tot 1 september 1999 arbeidsongeschikt is gebleven.

De rechtbank overwoog dat werkneemster en gedaagde niet van mening verschillen over de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster, maar alleen over de ingangsdatum van de uitkering, en beperkte zich tot dit punt van geschil. De rechtbank stelde voorts vast dat gedaagde heeft erkend dat werkneemster haar werk op 1 september 1999 heeft hervat en overwoog omtrent de vraag of gedaagde terecht 12 januari 1999 als ziektedag heeft aangemerkt als volgt:

"Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat eiseres op

12 januari 1999 niet arbeidsongeschikt was. De rechtbank baseert zich daarbij op het (ongedateerde) faxbericht van Initial Dienstverlening aan de gemachtigde van eiseres, waarin als ziekteperioden van eiseres worden vermeld: 3 maart 1998 tot 4 januari 1999,

9 februari 1999 tot 1 september 1999 en vanaf 29 november 1999, als ook op de brieven van 5 maart 2001 en 8 mei 2001 van Initial Dienstverlening, waarin voorgaande ziekteperioden nogmaals worden genoemd. Een andere aanwijzing ziet de rechtbank in het gegeven dat Initial Dienstverlening blijkens een notitie van de Arbeidsvoorziening van 10 maart 1999 de aanvraag ontslagvergunning wegens arbeidsongeschiktheid van eiseres heeft ingetrokken omdat zij per 4 januari 1999 volledig was hervat in haar eigen werk. De rechtbank wijst er voorts op dat ook CWL Dienstverlening blijkens het faxbericht van 2 februari 2000 er aanvankelijk nog vanuit ging dat 9 februari 1999 als eerste ziektedag was te beschouwen. Uit het dagoverzicht van het hotel van de maand januari 1999 blijkt ten slotte niet dat eiseres op 12 januari 1999 ziek was. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank aan de verklaring van het hotel van 8 maart 2001, inhoudende dat eiseres op 12 januari niet daar gewerkt heeft omdat zij ziek was, niet de conclusie verbinden die verweerder daaraan verbonden wil zien. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de loonstroken van eiseres geen uitsluitsel kunnen geven.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres op

4 april 1999 niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest."

Appellante heeft in hoger beroep in de eerste plaats gesteld dat zij op 1 december 1999 de schoonmaakwerkzaamheden in het Eden Hotel te Amsterdam, heeft overgenomen van Initial Dienstverlening Nederland B.V. (hierna: Initial), welke vennootschap ook op

12 januari 1999 werkgeefster was van de via haar in het Eden Hotel werkzame werkneemster, en dat zij per 1 december 1999 aan werkneemster een dienstverband heeft aangeboden, dat werkneemster heeft aanvaard. Appellante is van mening dat zij in haar hoger beroep als belanghebbende moet worden aangemerkt, nu de ingangsdatum van de WAO-uitkering van werkneemster van directe invloed is op een eventuele loondoorbetalingsverplichting van appellante.

Appellante heeft voorts gesteld dat vaststaat dat werkneemster op 12 januari 1999 niet heeft gewerkt en dat zij op die dag wel was ingeroosterd. Naar de mening van appellante sluiten de door de rechtbank in haar oordeelsvorming betrokken stukken van Initial niet een ziekmelding van werkneemster op 12 januari 1999 uit, nu Initial slechts de formele werkgeefster van werkneemster was en de daadwerkelijke aan- of afwezigheid op het werk als gevolg van ziekte of anderszins door Hotel Eden werd bijgehouden. Ter ondersteuning van haar stelling dat appellante op 12 januri 1999 ziek was heeft zij zich beroepen op het aan het begin van elke maand door het Eden Hotel opgestelde dagoverzicht, waaraan naar haar mening door de rechtbank onvoldoende gewicht is toegekend, op een verklaring van de Operations Manager van dit hotel van 8 maart 2001, inhoudende dat werkneemster op 12 januari 1999 ziek was, en op de daglijst van het hotel van 12 januari 1999. Op grond van deze stukken is appellante van mening dat de aangevallen uitspraak berust op een onjuiste waardering van de ingebrachte bewijsmiddelen.

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft de gemachtigde van appellante in zijn brief van 9 april 2003 voorts nog gewezen op hetgeen omtrent arbeidsongeschiktheid van werkneemster op of omstreeks 12 januari 1999 is gesteld in rapporten van onderscheidenlijk de verzekeringsarts, de arbeidsdeskundige en de wetstechnisch beoordelaar van gedaagde van respectievelijk 15 juni 2000, 4 december 2000 en

6 maart 2001.

Gedaagde heeft in zijn verweerschrift gesteld te hebben berust in de aangevallen uitspraak omdat hij niet heeft kunnen aantonen dat werkneemster op 12 januari 1999 arbeidsongeschikt was en aannemelijk is dat zij op die datum arbeidsgeschikt is.

Namens werkneemster is in de schriftelijke uiteenzetting over de zaak betoogd dat de door de gemachtigde van appellante bedoelde passages in de rapporten van de verzekeringsarts, de arbeidsdeskundige en de wetstechnisch beoordelaar zijn gebaseerd op onjuiste en onvolledige informatie van appellante in haar brief van 19 april 2000 aan gedaagde. Onder verwijzing naar het verweerschrift van gedaagde in hoger beroep bepleit werkneemster de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, gegeven het feit dat appellante opvolgend werkgeefster van werkneemster is en gelet op zijn uitspraak van 13 februari 2002 (USZ 2002,102), geen beletselen ziet appellante als belanghebbende in dit geding aan te merken. Een beletsel voor het instellen van hoger beroep door appellante ziet de Raad voorts niet in het voorschrift van artikel 6:13 van de Awb, nu hij in dit geval geen aanleiding ziet appellante redelijkerwijs te verwijten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het primaire besluit van 28 december 2000 dan wel beroep te hebben ingesteld tegen het bestreden besluit. Afgaande op de stukken is immers het primaire besluit niet mede aan appellante gezonden. Weliswaar moet worden aangenomen dat appellante nadien op de hoogte is geraakt van dit besluit en niet alsnog bezwaar heeft gemaakt, maar appellante is wel op de naar aanleiding van het gemaakte bezwaar door werkneemster op de hoorzitting van 18 april 2001 vertegenwoordigd geweest en namens haar is aldaar haar standpunt voorgedragen, dat afgaande op het bestreden besluit ook door gedaagde bij het nemen daarvan is meegewogen. Voorts had appellante, gelet op het dictum van het bestreden besluit, geen reden daartegen beroep in te stellen.

Wat de zaak ten gronde betreft overweegt de Raad zich aan te sluiten bij het oordeel van de rechtbank. De Raad voegt daar nog aan toe dat op grond van het verhandelde ter zitting, waar de betekenis van het vooraf opgemaakte dagoverzicht van de maand januari 1999 en de daglijst van 12 januari 1999 aan de orde is gekomen, evenbedoeld dagoverzicht een te onvolledig beeld geeft van de bezetting in die maand en de reden van mogelijke afwezigheid om mede daarop een ziekmelding van werkneemster op

12 januari 1999 te kunnen baseren. Zo staat bijvoorbeeld in de eerste kolom links van werkneemster op 23 januari 1999 de letter z vermeld, hetgeen op een kennelijk achteraf ingevulde ziekte dag duidt. Voorts bevat de daglijst van 12 januari 1999 de vermelding "[naam werkneemster] = Ziek !", welke vermelding op het eerste gezicht, gezien de voornaam, slaat op werkneemster. Niet kan er echter aan worden voorbijgezien dat destijds in het hotel Eden ook een schoonmaakster met de naam [schoonmaakster met zelfde voornaam] werkzaam was, die volgens evenbedoelde daglijst op 12 januari 1999 ook niet aanwezig was, maar daarentegen wel volgens de daglijsten van 13 en 14 januari 1999. Ook de verklaring van de gemachtigde van appellante ter zitting doet niet geheel uitgesloten zijn dat bij een eventuele ziekmelding op 12 januari 1999 sprake is geweest van een persoonsverwisseling, nu niet vaststaat of die eventuele ziekmelding door de betrokkene zelf dan wel door een familielid is gedaan.

Het vorenstaande alsmede hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent met name de in het dossier aanwezige stukken, afkomstig van Initial leidt de Raad tot het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat werkneemster op 12 januari 1999 arbeidsongeschikt was (gemeld).

Al het vorenenoverwogene brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en

mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

CVG