Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
01/5459 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvang beroepstermijn; bekendmaking uitspraak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 8:79
Algemene wet bestuursrecht 6:24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/5459 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 28 maart 2000 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 mei 2000 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Appellant heeft het door gedaagde tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 10 juli 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft het door mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, namens gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 10 juli 2000 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 20 juli 2001 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv veroordeeld tot betaling van wettelijke rente zoals in de uitspraak is aangegeven, een en ander gepaard gaande met bepalingen omtrent vergoeding aan gedaagde van griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft bij beroepschrift van 16 oktober 2001 onder overlegging van enkele bijlagen tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd door de griffier van de Raad heeft de rechtbank bij brieven van 13 december 2001 (met bijlage) en 10 juni 2002 (met bijlagen) informatie omtrent de verzending van de aangevallen uitspraak verstrekt.

Appellant heeft bij brief van 14 januari 2002 - onder overlegging van een aantal bijlagen - de gronden van het hoger beroep ingediend.

Gedaagde heeft van verweer gediend en heeft bij brieven van 23 juli en 25 augustus 2003 een nadere standpuntbepaling ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 september 2003, waar namens appellant is verschenen mr. G. Vermeijde, werkzaam bij het Uwv, terwijl namens gedaagde is verschenen mr. C.W.J. de Bont, kantoorgenoot van de gemachtigde van gedaagde.

II. MOTIVERING

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt de Raad dat uit de in het dossier aanwezige correspondentie tussen appellant en de rechtbank, alsmede de Raad en de rechtbank valt af te leiden dat volgens de rechtbank de aangevallen uitspraak tegelijk met 4 andere documenten op 25 juli 2001 aangetekend in één enveloppe - met de aantekening 00/1358 in het overgelegde register van aangetekende stukken van die dag - aan appellant is verzonden. Volgens appellant is deze uitspraak daarentegen eerst op 10 oktober 2001 met een brief van de rechtbank van 9 oktober 2001 ontvangen, nadat hij door een brief van de gemachtigde van gedaagde van 28 september 2001 op de hoogte kwam van het doen van de aangevallen uitspraak en de rechtbank bij brief van 2 oktober 2001 vroeg om toezending van die uitspraak.

Met betrekking tot de verzending door de rechtbank van uitspraken - en andere documenten - leidt de Raad uit de stukken voorts af dat ten tijde van het doen van de aangevallen uitspraak de rechtbank een uitspraak afzonderlijk dan wel tegelijk met andere documenten in één enveloppe aangetekend placht te verzenden en dat blijkens de brief van de rechtbank van 10 juni 2002 de werkwijze van de postkamer inmiddels is gewijzigd in die zin dat thans iedere uitspraak afzonderlijk wordt verzonden.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd verklaard dat in van de rechtbank ontvangen enveloppen, waarin verschillende documenten werden toegezonden, niet een overzicht van de toegezonden documenten was bijgevoegd en dat op de afdeling van appellants kantoor waar zulk een enveloppe werd geopend geen afzonderlijke aantekening werd gemaakt van de ontvangen stukken. De gemachtigde van appellant heeft voorts aan de hand van een drietal getoonde voorbeeldenveloppen ter zitting - naar zijn verklaring was de originele enveloppe met als inhoud de in geding zijnde zending niet meer voorhanden - zijn in het aanvullend beroepschrift neergelegde stelling toegelicht dat kennisname door appellant van de wel op de enveloppen vermelde inhoud van een zending doorgaans niet mogelijk was doordat vanwege de rechtbank zulke vermeldingen werden afgeplakt met het bewijs van aangetekend verzenden en daardoor vrijwel onleesbaar werden.

De Raad kan, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, waarbij hij in het bijzonder acht slaat op evenvermelde toelichting door de gemachtigde van appellant, niet uitsluiten dat, ondanks de aantekening in het betreffende register van verzonden aangetekende stukken op 25 juli 2001, de aangevallen uitspraak bij het gereedmaken van de verzendenveloppe op de rechtbank per vergissing daarin niet terecht is gekomen. Gelet hierop houdt de Raad het er voor dat op 25 juli 2001 niet kan worden gesproken van een bekendmaking van de uitspraak aan appellant bij wege van een zending op de voet van artikel 8:79, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 september 2002 (AB 2003,160) - ingevolge artikel 6:8 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb de termijn voor het instellen van hoger beroep voor appellant niet op 26 juli 2001 is aangevangen maar eerst op 10 oktober 2001, zijnde de dag na toezending van de uitspraak door de rechtbank aan appellant op diens verzoek van 2 oktober 2001. Nu het inleidend hoger beroepschrift op 16 oktober 2001 is gedateerd en op 18 oktober 2001 bij de Raad is ontvangen, komt de Raad tot de slotsom dat appellant tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt voorts dat de voor de beoordeling van dit geschil ten gronde van belang zijnde feiten en omstandigheden in de aangevallen uitspraak -waarin appellant als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid- met juistheid als volgt zijn weergegeven:

"Eiser was tot 15 november 1996 fulltime werkzaam als emballagemedewerker bij Groma B.V. te Veenendaal. Op die datum heeft hij zich ziek gemeld in verband met rugklachten en spanningsklachten. Die arbeidsongeschiktheid heeft 52 weken voortgeduurd. Met ingang van 14 november 1997 heeft verweerder hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend.

In het kader van een medische herbeoordeling heeft de verzekeringsarts blijkens de rapportage van 22 december 1999 als diagnose gesteld: een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en lumbago. Op grond van zijn eigen onderzoek van eiser en van bestudering van het dossier, waaronder inlichtingen van behandelaars van eiser, concludeerde de verzekeringsarts dat eiser als gevolg van zijn rugklachten en psychische klachten beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid. Het betreft beperkingen ten aanzien van zitten, staan, lopen, traplopen, gebogen werken, tillen en dragen, duwen, trekken, knielen/kruipen/hurken en bovenhands werken, alsmede inzake werken onder tijdsdruk (geen hoge tijdsdruk), conflicthantering, conflicterende functie-eisen, het dragen van verantwoordelijkheid en afbreukrisico. Ook moet hij regelmatig kunnen vertreden en niet in ploegendiensten werken. Daarbij is in aanmerking genomen dat orthopedisch onderzoek geen wezenlijke afwijking aan de wervelkolom toonde en reumatologisch onderzoek geen bewijs leverde voor sacroïlitis en morbus Bechterew. De beperkingen zijn neergelegd in het formulier Functie Informatie Systeem (FIS) van 22 december 1999 en verwerkt in de verwoording belastbaarheid van 18 februari 2000. In het FIS-formulier heeft de verzekeringsarts bij de beperkingen op sommige onderdelen nuanceringen aangebracht.

Gelet op deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige eiser blijkens zijn rapport van 17 maart 2000 ongeschikt geacht voor zijn eigen werk van emballagemedewerker. Tevens heeft de arbeidsdeskundige zeven functies geselecteerd die geschikt zijn te achten voor eiser, met inachtneming van zijn beperkingen. Met de middelste van de drie hoogst betaalde functies, die van assemblagemedewerker, zou eiser 2,2% minder verdienen dan hij als gezonde emballagemedewerker zou hebben verdiend. Derhalve heeft verweerder bij besluit van 28 maart 2000 eisers WAO-uitkering met ingang van 18 mei 2000 ingetrokken.

In een rapport van 1 mei 2000 (hierna: de verantwoording) heeft de verzekeringsarts gemotiveerd waarom hij de overschrijdingen van de belastbaarheid van eiser in diverse functies acceptabel acht.

In bezwaar tegen genoemd besluit heeft eiser brieven van zijn huisarts van 30 maart 2000, van de arts H. Koning van 4 april 2000, van de klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. A.J.G.M. Rutten van 12 april 2000 en van de oefentherapeut M.G.T. Elders van 2 mei 1997 overgelegd. Bij de hoorzitting heeft eisers gemachtigde nog een brief van drs. Rutten voornoemd van 15 juni 2000 overgelegd.

De bezwaarverzekeringsarts is blijkens het rapport van 6 juli 2000 van oordeel dat eiser alleen al op grond van zijn persoonlijkheidsstoornis kwetsbaar is en psychisch verminderd belastbaar is. Zijn klachten zijn echter door de dagbehandeling duidelijk verbeterd. Met de psychische beperkingen is in het FIS voldoende rekening gehouden. Ook wat betreft de fysieke aspecten zijn de geduide functies geschikt te achten nu er fysiek in feite geen objectiveerbare afwijkingen zijn. De verklaringen van de behandelaars geven geen aanleiding het oordeel van de verzekeringsarts bij te stellen. De bezwaarverzekeringsarts onderschrijft de verantwoording inzake de overschrijdingen van de belastbaarheid.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard."

In beroep heeft de gemachtigde van gedaagde - samengevat weergegeven - aangevoerd dat appellant de beperkingen van gedaagde op fysiek en psychisch gebied heeft onderschat. Ter onderbouwing hiervan heeft deze gemachtigde een brief van huisarts L.A. de Groote van 18 mei 2001 ingediend, alsmede een brief van de behandelend reumatoloog K.J. Korff van 24 oktober 2000 overgelegd, waarin sprake is van een chronische pijnsyndroom van het bewegingsapparaat dan wel fybromyalgie. Voorts heeft de gemachtigde er op gewezen dat de overschrijding van de belastbaarheid van gedaagde in een aantal functies onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank heeft onder andere in evengenoemde brieven van De Groote en Korff geen grond gezien de bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van appellant vastgestelde beperkingen in zijn belastbaarheid voor onjuist te houden. Wat betreft de vraag of de aan gedaagde voor de bepaling van zijn restverdiencapaciteit voorgehouden functies en de overige voorgehouden functies uit medisch oogpunt voor hem passend kunnen worden geacht, heeft de rechtbank in het licht van de in de jurisprudentie geformuleerde uitgangspunten omtrent de weging van de weergave van de belasting van een functie, zoals neergelegd in een bepaalde score in het FIS, en de vastlegging van de belastbaarheid van een verzekerde in het FIS-formulier aangegeven dat een overschrijding in een functie van de vastgestelde belastbaarheid in absolute zin, derhalve zonder relatie met de met de bandbreedte verband houdende samenhang tussen frequentie en intensiteit van een bepaald aspect van de belasting, dient te leiden tot aanmerking van die functie als medisch niet passend, tenzij de verzekeringsarts overtuigend motiveert dat die functie toch medisch passend is. In het licht van deze door de rechtbank als stringent aangemerkte motiveringsplicht heeft de rechtbank de voorgehouden functies uitvoerig besproken en de motivering van de verzekeringsarts voor de aanvaardbaarheid van de overschrijding van met name de aspecten 28A, D en H in een aantal van de voorgehouden functies als onvoldoende aangemerkt. Het komt er - kort gezegd - op neer dat de rechtbank van oordeel is dat de verzekeringsarts op de evengenoemde onderdelen van het aspect 28 telkens een niet overtuigend gemotiveerde verruiming dan wel een nuancering van de belastbaarheid, onder meer in verband met de aard van de werkzaamheden in de betreffende functie, heeft aangebracht. Van oordeel zijnde dat zulks onjuist is, kwam de rechtbank tot de slotsom dat - in strijd met artikel 4 van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong - nog slechts 2 functies resteerden om de schatting op te baseren, hetgeen haar bracht tot vernietiging van het bestreden besluit.

In het aanvullend beroepschrift in hoger beroep heeft appellant ter zake onder andere aangevoerd dat in de rapporten van de verzekeringsarts van 12 (lees: 22) december 1999 en 1 mei 2000 een voldoende duidelijke motivering is opgenomen voor de vraag waarom de betreffende functies als voor gedaagde passend dienen te worden beschouwd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant gewezen op het rapport van de bezwaarverzekeringarts B.C. Bockwinkel van 7 november 2001, waarin ter zake onder andere het volgende is gesteld:

"Allereerst wil ik opmerken, dat de Rechtbank ten onrechte stelt dat een aangegeven asterix een duiding zou zijn van een overschrijding op dat punt. Dit is overigens een wijdverspreid misverstand. Een asterix, zeker als het gaat om punt 28, duidt geen overschrijding aan maar een aandachtspunt voor de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts.

De bedoeling van elke WAO-beoordeling is het onderzoeken welke functies geschikt zijn ondanks de bestaande medische beperkingen. De verzekeringsarts geeft in eerste aanleg de beperkingen aan waarmee globaal gezien rekening dient te worden gehouden.

Een hulpmiddel daarbij is het FIS-systeem., dat niet meer inhoudt dan het operationaliseren van een zoekmiddel voor de arbeidsdeskundige. Dit wordt genoemd de geautomatiseerde voorselectie.

De stap daarna is de werkelijk functieduiding die in overleg tussen de verzekeringsarts en de ad plaatsvindt zg. professionele eindselectie. De arbeidsdeskundige heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van opleiding, ervaring ed. van de keurling en de verzekeringsarts ten aanzien van de belasting/ belastbaarheid.

Als ten aanzien van een functie een asterix wordt aangegeven betekent dit dat deze functie op het betreffende punt mogelijk niet binnen de bandbreedte van de belastbaarheid valt. Het betreft dus zeker niet in alle gevallen een overschrijding maar het is een aandachtspunt. Of de asterix al dan niet een (onaanvaardbare) overschrijding is wordt bepaald in die professionele eindselectie.

In dit licht vind ik voor de opmerking (op blz. 5 4e alinea) als zou het de primaire verzekeringsarts te verwijten zijn dat hij pas tijdens de professionele eindselectie een nadere nuancering geeft ten aanzien van het begrip tijdsdruk en conflicterende functie-eisen niet op zijn plaats.

Immers het is juist de bedoeling van de professionele eindselectie dat de verzekeringsarts, geconfronteerd met de specifieke belastingseisen in de verschillende functies, juist dieper ingaat (nuanceert) waarom hij deze functie al dan niet aanvaardbaar acht.

Hij kan in zijn oorspronkelijke rapportage in eerste aanleg i.c. die van 22-12-1999 toch niet op alles anticiperen aangaande de belasting in de diverse functies. In algemene zin achtte hij belanghebbende niet beperkt in conflicterende functie-eisen, maar ik zie niet in waarom hij ten aanzien van de belasting op een niet eerder door hem genoemd punt zou mogen ingaan. Immers alle punten van het FIS hebben een zekere overlap en samenhang.

Het is juist te prijzen dat coll. Balk bij het beoordelen van de geschiktheid van de geduide functies zich niet blind staart op één door hem aangegeven onderdeel van item FIS maar dat hij dit in samenhang ziet met de eventuele andere belastingseisen van punt 28 per functie.

Ik ben van mening dat de primaire verzekeringsarts in zijn rapport van 01-05-2000 uitvoerig ingaat op de aandachtspunten in de diverse functies."

Voor zover nodig heeft Bockwinkel in zijn rapport voorts nog een nadere toelichting gegeven op een aantal aspecten van de belasting in enkele functies.

De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting van de Raad uitvoerig gemotiveerd zowel de vaststelling bij het bestreden besluit van de belastbaarheid van gedaagde als de motivering vanwege appellant van de aanvaardbaarheid van de overschrijding van de belastbaarheid van gedaagde in een aantal functies bestreden.

Wat betreft de vaststelling van de belastbaarheid van gedaagde vanwege appellant ziet ook de Raad, evenals de rechtbank, en anders dan de gemachtigde van gedaagde ter zitting heeft gesteld, de in beroep in eerste aanleg overgelegde verklaringen van de huisarts en de reumatoloog geen ander licht werpen op de aard en omvang van de beperkingen van gedaagde. Ook overigens is de Raad, gelet op het vanwege appellant verricht medische onderzoek en in aanmerking genomen de beschikbare medische informatie afkomstig van de behandelaars van gedaagde, niet tot de conclusie gekomen dat appellant bij het nemen van het bestreden besluit de voor gedaagde in aanmerking te nemen medische beperkingen heeft onderschat.

Met betrekking tot de vraag of de geduide functies medisch passend zijn, kan de Raad in de eerste plaats wat betreft de algemene uitgangspunten van de functieselectie met behulp van het FIS het betoog van Bockwinkel in grote lijnen onderschrijven. Niet valt in te zien, zeker als het gaat om in de regel veeleer in kwalitatieve dan in kwantitatieve (mate en frequentie) bewoordingen te omschrijven belastingen als bijvoorbeeld aangegeven in onderdeel 28 van het FIS-formulier, dat in de zogenoemde professionele eindselectie niet een nadere gecombineerde en deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige weging van een in de geautomatiseerde voorselectie gesignaleerde overschrijding van de belastbaarheid van een verzekerde ten aanzien van specifieke belastingseisen in een functie kan plaatsvinden in het licht van onder andere de aard van de werkzaamheden in die functie en de vastgestelde belastbaarheid van een verzekerde in haar geheel bezien, zonder dat het resultaat van die weging daardoor steeds een volgens de jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2000, USZ 2000,100) niet toegestane relativering dan wel verruiming van de belastbaarheid van de verzekerde meebrengt.

Toegespitst in het bijzonder op de drie in dit geval voor de schatting gebezigde functies samensteller printplaten, assemblagemedewerker em medewerker ondersteunende diensten is de Raad van oordeel dat in het rapport van de verzekeringsarts H.P. Balk van 1 mei 2000 reeds een duidelijke motivering met betrekking tot onder andere verschillende aspecten van het onderdeel 28 van het FIS-formulier is neergelegd. Mede gelet op de nadere toelichting van Bockwinkel en de bezwaararbeidsdeskundige S. de Waart in hun in hoger beroep uitgebrachte rapporten, komt deze motivering de Raad niet onjuist voor. De Raad wijst er op dat, nog afgezien van het feit dat de in de functie samensteller printplaten gesignaleerde overschrijdingen op de aspecten 28F en 28G op het FIS-Formulier niet als beperkt zijn aangegeven, de overschrijdingen op de aspecten 28A, D en H in de beide andere functies, naar het de Raad voorkomt, niet op onjuiste wijze mede in verband met de aard van de werkzaamheden in die functies zijn bezien.

Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de drie evengenoemde functies medisch niet passend zijn. Zo leidt de Raad, nog daargelaten dat blijkens de verwoording functiebelasting van de functie assemblagemedewerker de vastgestelde belastbaarheid van gedaagde op het onderdeel zitten niet wordt overschreden, uit de verkorte functie-omschrijving af dat, anders dan de gemachtigde van gedaagde in zijn pleitnota heeft gesteld en in de aangevallen uitspraak heeft gelezen, in deze functie vertreding zonder meer mogelijk is. Voorts acht de Raad de aanvaardbaarheid van de ook in evengenoemde pleitnota vermelde overschrijding van het onderdeel buigen en torderen in de functie medewerker ondersteunende diensten in het rapport van de verzekeringsarts van 1 mei 2000 voldoende toegelicht.

Nu de Raad in het licht van artikel 8:69, eerste lid, van de Awb ook niet is gebleken dat het bestreden besluit om andere redenen niet in stand zou kunnen blijven, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het inleidend beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij in hoger beroep dan wel een veroordeling van appellant in de kosten van rechtsbijstand van gedaagde in de bezwaarprocedure ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2003.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.