Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
01/6269 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgever geen belanghebbende bij toepassing van art. 2a Ziektewet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2003, 315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/6269 ZW

U I T S P R A A K

In het geding tussen:

[Naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief van 24 juli 2000 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (bestreden besluit).

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 10 oktober 2001 het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.

Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, op in het aanvullend beroepschrift - met bijlage - vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Appellante heeft bij brieven van 18 december 2002 en 9 mei 2003 - met bijlage - de gronden van het beroep nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 augustus 2003, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Frissart-Kallenbach, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv.

II MOTIVERING

Bij besluit van 16 juni 2000 heeft gedaagde geweigerd aan [werkneemster], werkneemster van appellante, ziekengeld te verstrekken met ingang van

5 december 2000, omdat de werkneemster met ingang van die datum niet tengevolge van haar zwangerschap ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.

Appellante heeft tegen het besluit van 16 juni 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellante naar het oordeel van gedaagde op grond van artikel

1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet als belanghebbende bij het besluit van 16 juni 2000 is aan te merken.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de wettelijke grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar niet is gelegen in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb maar in artikel 2a van de Ziektewet. Zij heeft daarom wegens een onjuiste wettelijke grondslag het bestreden besluit vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij uitspraken van

24 september 2002 (JB 2002, 342) heeft de Raad geconcludeerd dat de werkgever ten aanzien van een besluit omtrent aanspraken van een werknemer op ziekengeld, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, moet worden beschouwd. Deze conclusie geldt niet, indien de uitzondering van artikel 2a van de Ziektewet van toepassing is.

Het met ingang van 1 maart 2003 vervallen artikel 2a van de Ziektewet luidde als volgt: Bij een besluit ingevolge deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken is belanghebbende degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.

Voor een goed begrip van de reikwijdte van artikel 2a is de ontstaansgeschiedenis van het artikel van belang.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Awb is besloten het "belanghebbende"- begrip in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb ook voor de wetgeving op het terrein van de sociale zekerheid te laten gelden. De wetgever achtte het evenwel niet wenselijk dat een werkgever als belanghebbende - en dus als bezwaar- en beroepsgerechtigde - zou worden aangemerkt bij geschillen omtrent de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer. Zou dat wel het geval zijn, dan zou de vraag rijzen of, en zo ja, op welke wijze het medisch dossier van de werknemer aan de werkgever ter kennis zou moeten worden gebracht. De privacybescherming in verband met het inzagerecht vanwege de werkgever in de medische gegevens van de werknemer zou eerst nader moeten worden bezien.

Teneinde te voorkomen dat de werkgever als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt ten aanzien van besluiten betreffende de arbeidsongeschiktheid van de werknemer, is artikel 2a in de Ziektewet vastgelegd, welk artikel tegelijk met de Awb op 1 januari 1994 in werking is getreden. Een vergelijkbaar artikel 2a is tegelijkertijd in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) opgenomen.

Uit de ontstaansgeschiedenis blijkt dat artikel 2a van de Ziektewet de strekking had de privacy te beschermen van de werknemer bij besluiten waaraan de beoordeling van diens arbeidsongeschiktheid ten grondslag lag. Deze strekking brengt mee dat het artikel - anders dan wel gesteld is - niet alleen betrekking had op besluiten waarbij in geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.

Een argument voor deze uitleg van artikel 2a is ook gelegen in de wettelijke regeling waarbij artikel 2a is vervallen. De regering heeft naar aanleiding van de discussie over het inzagerecht van de werkgever-belanghebbende in de medische gegevens van de werknemer een wettelijke regeling ontworpen voor dat inzagerecht. Deze regeling is per

1 januari 1998 in de artikelen 88 en volgende van de WAO opgenomen.

Bij de Wet eigenrisicodragen Ziektewet (wet van 14 nov. 2002, Stb. 2002, 584) is per

1 maart 2003 artikel 2a in de Ziektewet vervallen, waardoor het belanghebbende-begrip in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb onverkort van toepassing is op besluiten ingevolge de Ziektewet. In samenhang met het vervallen van artikel 2a heeft de wetgever bij de Wet eigenrisicodragen Ziektewet in de derde afdeling, paragraaf 2, van de Ziektewet een regeling met betrekking tot medische besluiten opgenomen, welke overeenkomt met de WAO-bepalingen over het inzagerecht van de werkgever in de medische gegevens van de werknemer. Deze regeling heeft tot doel het recht van de werknemer op privacybescherming te verenigen met het recht van de werkgever om in het kader van een procedure op adequate wijze kennis te kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken met medische gegevens.

Deze wettelijke regeling bevestigt naar het oordeel van de Raad de conclusie dat artikel 2a van de Ziektewet betrekking had op besluiten waaraan de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer ten grondslag lag.

Aan het besluit van 16 juni 2000 ligt een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster [werkneemster] ten grondslag. Ten tijde in geding was artikel 2a van de Ziektewet nog van toepassing.

Gedaagde heeft appellante niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar. De rechtbank heeft gezien de hierboven vermelde overwegingen het beroep tegen het bestreden besluit terecht gegrond verklaard en het besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

De Raad merkt op dat de beperking van het beroepsrecht van de werkgever ingevolge artikel 2a van de Ziektewet niet strijdig is met artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De werkgever heeft ingevolge het burgerlijk recht de mogelijkheid een geschil ter zake aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter. Hiermee wordt voldaan aan het voorschrift van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

In verband met de stelling van appellante dat gedaagde in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door appellante niet uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen als gemachtigde van de betrokken werkneemster bezwaar te maken tegen het besluit van 16 juni 2000, terwijl gedaagde in andere gevallen de werkgever wel uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld als gemachtigde van de werknemer bezwaar te maken, merkt de Raad op dat deze stelling, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad, feitelijke grondslag ontbeert. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft dan ook geen doel.

De Raad concludeert tot bevestiging van de aangevallen uitspraak.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en

mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.R.H. van Roekel.

GW