Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2003
Datum publicatie
17-11-2003
Zaaknummer
02/625 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Had een hogere uitkering moeten worden toegekend dan de uitkering ter grootte van het wachtgeld vanwege een belangrijk aandeel in de verstoorde arbeidsverhoudingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/625 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 november 2001, nr. AWB 01/1289 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 september 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pelle, advocaat te 's-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.C.L. Rutten-Stichter, werkzaam bij gedaagdes ministerie.

II. MOTIVERING

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sedert 1 januari 1994 in dienst bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, aanvankelijk op tijdelijke basis, en vanaf 1 april 1997 in vaste dienst. Vanaf 1 juli 1996 was hij bij de Directie Jeugdbeleid (DJB) aangesteld als beleidsmedewerker. Omdat appellant van mening was dat zijn feitelijke werkzaamheden meer juridisch van karakter waren dan overeenkwam met de voor hem geldende organieke functiebeschrijving, heeft hij gedaagde verzocht een beschrijving te doen opmaken van de feitelijk aan hem opgedragen werkzaamheden. Dit verzoek is aanvankelijk geweigerd. Het tegen deze weigering gerichte bezwaar is gegrond verklaard.

1.2. Inmiddels had appellant zich begin januari 1998 ziekgemeld met klachten die verband hielden met zijn werksituatie. Zo vond appellant de werkdruk te hoog en had hij problemen met zijn leidinggevende. In de loop van 1998 vonden gesprekken plaats tussen appellant, zijn nieuwe afdelingshoofd en de personeelsadviseur, waarin appellant te kennen gaf niet te willen terugkeren naar DJB. Daarop is van de zijde van DJB aan appellant ondersteuning aangeboden in de vorm van loopbaanoriëntatie en loopbaan-bemiddeling. Daarbij gold als uitgangspunt dat appellant zijn werk bij DJB zou hervatten, wanneer zou blijken dat hij in de loop van 1999 geen andere functie had gevonden.

In verband met dit traject is tussen appellant en gedaagde afgesproken dat het voorlopig niet nodig was een beschrijving van de feitelijk opgedragen werkzaamheden te maken.

1.3. In het voorjaar van 1999 - appellant had nog steeds geen andere functie - is door appellant en gedaagde onderhandeld over een afvloeiingsregeling. Omdat appellant op dat moment de intentie had een eigen bedrijf te starten heeft gedaagde onder meer een aanbod gedaan tot afkoop van het wachtgeld, teneinde appellant een startkapitaal te bieden voor een door hem op te zetten bedrijf.

1.4. Toen de onderhandelingen op niets uitliepen, heeft appellant zich bereid verklaard weer aan de slag te gaan bij DJB. Deze terugkeer heeft medio juli 1999 plaatsgevonden onder de noemer "een frisse start". Daarbij zijn strikte afspraken gemaakt over taakinhoud en begeleiding.

1.5. Nadat appellant van 16 augustus tot 30 augustus 1999 vakantie had genoten, heeft hij zich op laatstgenoemde datum ziekgemeld, omdat hij zich overwerkt voelde. Vanaf 1 november 1999 werd appellant weer arbeidsgeschikt geacht. Aangezien hervatting in zijn eigen werk, vanwege verstoorde arbeidsverhoudingen, niet aangewezen was, is aan appellant bijzonder verlof verleend.

1.6. Bij besluit van 18 april 2000, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2001, is aan appellant wegens verstoorde arbeidsverhoudingen met ingang van 1 mei 2000 eervol ontslag verleend, met toepassing van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), waarbij een uitkering is toegekend overeenkomstig de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959. Deze uitkering bestreek in beginsel een periode van drie en een half jaar.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 1 mei 2000 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat het aandeel van gedaagde in de verstoorde arbeidsverhoudingen dusdanig groot is, dat aan hem een hogere uitkering had moeten worden toegekend dan de uitkering ter grootte van het wachtgeld, waarmee nu is volstaan. Appellant heeft gewezen op diverse aan gedaagde te wijten factoren die volgens hem hebben bijgedragen tot de verstoorde verhoudingen.

3. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

3.1. Gedaagde heeft inderdaad aanvankelijk geweigerd een beschrijving op te maken van appellants functie, maar de Raad ziet daarin niet een overwegend aandeel van gedaagde in de verstoorde arbeidsverhouding gelegen, nu gedaagde deze weigering na bezwaar van appellant heeft teruggenomen, waarna, in gezamenlijk overleg, is besloten vooralsnog van een beschrijving af te zien, omdat appellant zich ging richten op het verkrijgen van een functie elders. Na de werkhervatting van appellant in juli 1999 is afgesproken dat alsnog een functiebeschrijving zou worden opgesteld, hetgeen van de zijde van gedaagde bij brief van 29 juli 1999 is bevestigd. Appellant heeft zijn stelling dat dit weliswaar is beloofd, maar dat anderzijds ook tegen hem is gezegd dat hij niet moest denken dat een functiebeschrijving zou worden opgesteld, niet onderbouwd, zodat de Raad daaraan verder voorbij zal gaan.

3.2. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde zich niet onheus of onredelijk heeft opgesteld bij appellants keuze voor loopbaanbemiddeling, gedurende die bemiddeling en tijdens de onderhandelingen over een afvloeiingsregeling. Het was uiteindelijk appellants eigen keus om werk elders te zoeken. Dat die keus voor appellant de enige mogelijkheid was, omdat de werkdruk onaanvaardbaar hoog was, dan wel dat hij onder druk was gezet deze keus te maken, acht de Raad niet gebleken. De Raad vindt het niet onaanvaardbaar dat gedaagde een grens stelde aan de periode van bemiddeling en eveneens een grens stelde aan de hoogte van de afvloeiingsregeling.

3.3. Naar het oordeel van de Raad is appellant in juli 1999 een reële kans geboden zijn werk te hervatten, en moet dit niet, zoals appellant meent, gezien worden als het creëren door gedaagde van een mogelijkheid een dossier te vormen om appellant op een gemakkelijke wijze te kunnen ontslaan. Dat strikte afspraken zijn gemaakt over de taakinhoud van appellant en zijn begeleiding acht de Raad niet onredelijk, gezien de lange periode dat appellant uit de roulatie was en in aanmerking genomen zijn klachten in het verleden over de werkdruk.

3.4. Gezien het vorenstaande is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat gedaagde in belangrijke mate een aandeel heeft gehad in het ontstaan en laten voortbestaan van de verstoorde werkverhoudingen. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagde zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan het ontslag van appellant verbonden regeling redelijk is te achten. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.