Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN8047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
17-11-2003
Zaaknummer
02/469 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zuiver schadebesluit. Dienstongeval: is voldaan aan de verplichting de werkzaamheden zodanig in te richten, dan wel voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat in de uitoefening van werkzaamheden schade wordt geleden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/469 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant-Noord, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 augustus 2001, nr. AW/1217, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 september 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Wensen en

P.J.M. van Linder, beiden werkzaam bij de politieregio Brabant-Noord.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant, destijds werkzaam als [naam functie] bij de politieregio Brabant-Noord, heeft op 8 november 1993 tijdens een beroepsvaardigheidstraining, onderdeel achtervolging, bij het springen over een kast met een hoogte van 1.10 meter zijn schouder en sleutelbeen geblesseerd. Dit ongeval is door gedaagde als dienstongeval aangemerkt.

1.3. Bij brieven van 16 december 1993 en 26 juni 1996 heeft appellant gedaagde verzocht aansprakelijkheid te aanvaarden voor alle materiele en immateriële schade die uit dit ongeval voortvloeit. Appellant kon als gevolg van dit ongeval niet meer werkzaam blijven in de executieve politiedienst en heeft noodgedwongen een andere baan aanvaard. Ook kon appellant niet meer actief zijn als hobbyboer en hondentrainer. Bij besluit van 10 december 1998 heeft gedaagde geweigerd de gestelde schade te vergoeden, welke weigering na bezwaar bij besluit van 1 april 1999 is gehandhaafd.

2. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. Indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is van een zuiver schadebesluit dat betrekking heeft op schade die de ambtenaar stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, hanteert de Raad volgens vaste rechtspraak de norm zoals omschreven in zijn uitspraak van 22 juni 2000, TAR 2000, 112. Gelet op deze norm is de vraag aan de orde of gedaagde heeft voldaan aan zijn verplichting de werkzaamheden van appellant zodanig in te richten, dan wel voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat appellant in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

3.2. De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank heeft gedaan, bevestigend. Daartoe wordt overwogen dat het ongeval plaatsvond tijdens een normale trainingsoefening, waarbij appellant in de rol van achtervolger over een kast van 1.10 meter sprong, welke kast aan voor- en achterzijde was voorzien van zogeheten judomatten. Bij die oefening is appellant gestruikeld, waarbij hij aan de zijkant van de kast, op de betonnen vloer terecht is gekomen. Het achtervolgingsparcours was voorzien van in totaal acht hindernissen, waarvan de kast de eerste was. In de zaal waren twee instructeurs aanwezig, die aanwijzingen hadden gegeven over het te volgen parcours. De achtervolgingsoefening vond plaats nadat eerder in de sportzaal was geoefend in het gebruik van handboeien en wapenstok. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat gedaagde in strijd heeft gehandeld met de hiervoor bedoelde zorgplicht door slechts (dunne) matten aan voor- en achterzijde van de kast te leggen en niet ook aan de zijkant. Een val aan de zijkant van de kast behoefde niet te worden voorzien en het is voldoende aannemelijk geworden dat een dikke (spring)mat vanwege gevaar voor enkelzwikken geen betere bescherming biedt bij achtervolging over een kast. Dat geen warming-up is gehouden voorafgaand aan de achtervolging kan de Raad evenmin onzorgvuldig achten, omdat die achtervolgingsoefening onderdeel uitmaakte van een reeds eerder aangevangen sportles waarbij eveneens sprake was van lichamelijke beweging. Dat appellant, die vanwege afwezigheid wegens ziekte langere tijd niet had meegedaan aan een training als deze, een speciale behandeling ten deel had moeten vallen kan de Raad - gegeven het feit dat appellant dit destijds zelf niet heeft aangekaart - niet inzien. Appellant was zonder enig voorbehoud hersteld verklaard en had daarmee toestemming om deel te nemen aan de sportlessen.

3.3. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de instructeurs, althans één van hen, ten onrechte niet als vanger waren gestationeerd bij de kast. Voorzover appellant hier een beroep doet op de norm zoals omschreven in de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2001 (JB 2001/326), op grond waarvan een bestuursorgaan, kort gezegd, aansprakelijk is voor schade als gevolg van een als onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een ondergeschikte, overweegt de Raad dat naar zijn oordeel van zodanige fout in dit geval geen sprake is. Daar waar acht hindernissen waren opgesteld, en de betrokken kast gezien de hoogte als een relatief eenvoudig te nemen obstakel kan worden aangemerkt, kan de Raad niet tot het oordeel komen dat de instructeurs niet hadden mogen nalaten zich naast de kast op te stellen.

3.4. In het aanvullend hoger beroepschrift heeft appellant nog naar voren gebracht dat gedaagde ook op grond van goed werkgeverschap zoals bedoeld in artikel 7:611 van het Burgerlijke Wetboek gehouden zou zijn appellants schade te vergoeden. De Raad constateert dat in het Besluit algemene rechtspositie politie bepalingen zijn opgenomen die voorzien in de vergoeding van schade als hier gesteld op grond van een vergelijkbare norm. Nu appellant niet in een eerder stadium op dit beginsel een beroep heeft gedaan stelt de Raad vast dat gedaagde bij het bestreden besluit omtrent de toepassing daarvan niet heeft beslist. Daarom zal de Raad hierover ook geen oordeel geven.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in stand kunnen blijven. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.