Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN7838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
01/4298 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewijzigde toetsingsnorm met betrekking tot verzoeken terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 87
TAR 2003/198
JB 2004/29 met annotatie van EvdL
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4298 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 juni 2001, nr. SBR 2000/1776, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 september 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam. Namens gedaagde is ter zitting verschenen mr. J.J. Blanken, verbonden aan CAPRA en mr. M.H.C. Kupper, werkzaam bij het [bedrijfsnaam] ([bedrijfsnaam]).

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was tot 1 juli 1995 werkzaam als projectmedewerker bij het [bedrijfsnaam]. Per 1 juli 1995 is zijn tijdelijke aanstelling geëindigd. Op 24 juli 1995 heeft appellant zich ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft na onderzoek appellant op

27 juli 1995 volledig arbeidsgeschikt geacht. Tegen dit oordeel heeft appellant op 7 augustus 1995 ingevolge artikel 37, tweede lid (oud), van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) zijn bedenkingen geuit. Vervolgens heeft op

1.2. 29 september 1995 een onderzoek plaatsgevonden door een commissie van drie geneeskundigen. Deze commissie was van oordeel dat appellant op 27 juli 1995 niet op grond van ziekte of gebrek verhinderd was zijn betrekking te vervullen en bevestigde daarmee het oordeel van de bedrijfsarts.

1.2. Inmiddels had gedaagde appellant bij besluit van 15 augustus 1995 meegedeeld dat hij van 24 juli 1995 tot 27 juli 1995 wegens ziekte niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten en dat hij, aangezien hij binnen een maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag wegens ziekte arbeidsongeschikt was geworden, op grond van artikel 42, tweede lid (oud), van het ARAR, tijdens die arbeidsongeschiktheid, doch uiterlijk tot 27 juli 1995 zijn laatstelijk bij het [bedrijfsnaam] genoten bezoldiging zou ontvangen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij brief van 2 februari 2000 heeft appellant gedaagde onder meer verzocht alsnog gedurende een jaar na aanvang van zijn ongeschiktheid op grond van artikel 42, tweede lid (oud), van het ARAR de laatstelijk bij het [bedrijfsnaam] genoten bezoldiging te betalen, omdat hij van oordeel was dat hij ook op en na 27 juli 1995 wegens ziekte ongeschikt was arbeid te verrichten. Ten bewijze hiervan heeft hij een aantal medische verklaringen overgelegd.

1.4. Bij besluit van 15 februari 2000 heeft gedaagde geweigerd terug te komen van zijn besluit van 15 augustus 1995 op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld die dit terugkomen rechtvaardigen.

Bij het thans bestreden besluit van 1 augustus 2000 is appellants bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2000 ongegrond verklaard.

2. Appellants beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank ziet in de door appellant overgelegde medische verklaringen en in het rapport van 18 december 2000 van psychiater K., die door de rechtbank in andere door appellant gevoerde beroepsprocedures als deskundige is ingeschakeld, een andere zienswijze dan die van de bedrijfsarts inzake de arbeidsongeschiktheid van appellant in juli 1995, maar niet de ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereiste nieuwe feiten of omstandigheden naar voren komen. Gedaagde was derhalve naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om appellants verzoek om terug te komen van het besluit van 15 augustus 1995 onder verwijzing naar dat besluit af te wijzen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de door hem ingebrachte medische verklaringen, als mede uit het rapport van psychiater K. niet blijkt van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Appellant heeft voorts nog gewezen op de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2001, in een andere door hem gevoerde beroepsprocedure, waaruit blijkt dat appellant in juli 1995 arbeidsongeschikt was.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Allereerst stelt de Raad vast dat, nu appellant tegen het besluit van 15 augustus 1995 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van

2 februari 2000 strekt ertoe dat gedaagde van dit eerdere besluit terugkomt, en wel uitsluitend met betrekking tot een in het verleden gelegen periode. Ten aanzien van de afwijzing van een dergelijk verzoek hanteert de Raad thans, anders dan voorheen, de navolgende toetsingsnorm.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

4.2.1. Bij zijn verzoek heeft appellant aangevoerd dat uit nader medisch onderzoek is gebleken dat aan de in juli 1995 geuite fysieke klachten van appellant een psychiatrisch ziektebeeld ten grondslag ligt, waardoor de klachten, in tegenstelling tot wat de bedrijfarts destijds meende, wèl medisch zijn te objectiveren. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant bij zijn verzoek gevoegd een handgeschreven verklaring van zijn huisarts van kennelijk 25 juli 1995 en een verklaring van

29 december 1997 van eveneens zijn huisarts. Vervolgens heeft appellant bij zijn bezwaarschrift nog een verklaring van zijn huisarts van 14 oktober 1996 ingebracht, alsmede een verklaring van 12 december 1996 van de behandelend psychotherapeut verbonden aan de RIAGG, en een rapport van 6 maart 1999 van psychiater v. L.

4.2.2. De Raad ziet met gedaagde hierin geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin, nu niet is gebleken dat genoemde medische stukken wezenlijk andere gegevens ten aanzien van appellants medische situatie ten tijde hier in geding vermelden dan waarmee de bedrijfsarts destijds reeds bekend was.

4.2.3. Ten aanzien van de na het bestreden besluit bekend geworden stukken stelt de Raad vast dat daaromtrent in het bestreden besluit geen beslissing kon worden genomen zodat de Raad reeds daarom aan deze stukken voorbijgaat.

4.3. De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat gedaagde bevoegd was om het verzoek van appellant van

2 februari 2000 af te wijzen. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5. Gelet op het vorenoverwogene kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten te worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.