Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN7617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
06-11-2003
Zaaknummer
03/2211 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de bezwaarenprocedure van toepassing op besluiten genomen ten aanzien van rechterlijke ambtenaren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Beroepswet 17
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 47
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/197
JB 2003/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2211 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het bestuur van de rechtbank 's-Gravenhage, verweerder.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens eiser is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden beroep ingesteld tegen een namens verweerder genomen beslissing van 25 maart 2003.

Namens verweerder is een verweerschrift ingediend. Daarop zijn namens eiser nadere stukken, voorzien van een toelichting, ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 oktober 2003. Namens eiser is verschenen mr. J. Lamme, verbonden aan Apol & Lamme. Verweerder heeft zich, zoals bericht, niet op de zitting laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Bij de door eiser bestreden beslissing van 25 maart 2003 heeft verweerder het verzoek van eiser, vice-president van de rechtbank 's-Gravenhage, om toekenning van een vergoeding voor vakliteratuur afgewezen. Onder de beslissing was vermeld dat eiser hiertegen overeenkomstig de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken een bezwaarschrift kon indienen bij verweerder.

2. Namens eiser is tegen de bestreden beslissing geen bezwaar gemaakt bij verweerder, maar beroep ingesteld bij de Raad. Eiser is van opvatting dat hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is op een beslissing van een gerechtsbestuur ten aanzien van een voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar (hierna: rechterlijk ambtenaar). Naar de kern komt de zienswijze van eiser erop neer dat hij de toepasselijkheid van de bezwaarprocedure ziet afstuiten op de omstandigheid dat verweerder niet als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1 van de Awb is aan te merken en dat artikel 47, derde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) slechts (rechtstreeks) beroep (op de rechter) openstelt.

3. Verweerder heeft geen afstand genomen van zijn standpunt zoals dat blijkt uit de rechtsmiddelenverwijzing onder de bestreden beslissing, maar heeft zich overigens op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

4. Met betrekking tot de vraag of tegen de bestreden beslissing rechtstreeks beroep bij de Raad openstaat, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Awb worden onder meer de besturen van onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, niet als bestuursorgaan aangemerkt. In het derde lid van

artikel 1:1 is bepaald dat een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan, persoon of college wel als bestuursorgaan wordt aangemerkt voorzover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen verricht ten aanzien van een niet voor het leven benoemde ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden.

4.2. In artikel 47, eerste lid, van de Wrra is, voorzover hier van belang, bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig belanghebbende is, beroep kan instellen bij de Centrale Raad van Beroep. Ingevolge het derde lid van artikel 47 geldt, voorzover hier van belang, hetzelfde ten aanzien van een schriftelijke beslissing of een handeling, genomen of verricht door het bestuur van een onafhankelijk, bij wet ingesteld met rechtspraak belast orgaan, waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig belanghebbende is.

4.3. Het stelsel van rechtsbescherming in ambtenarenzaken houdt sedert 1994 in het algemeen in dat tegen een besluit waarbij het belang van de ambtenaar betrokken is, eerst bezwaar moet worden gemaakt bij het bevoegd gezag (of administratief beroep moet worden ingesteld) voordat beroep bij de rechtbank openstaat en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

4.4. Wat betreft rechterlijke ambtenaren kwamen gedurende de periode van 1994 tot en met 2001 de rechtspositionele bevoegdheden - zij het met enkele belangrijke uitzonderingen - toe aan de Kroon of aan de Minister van Justitie en was de rechtsbescherming in zoverre afwijkend geregeld dat tegen de besluiten van deze bestuursorganen, na bezwaar, beroep in eerste en enige aanleg openstond bij de Centrale Raad van Beroep. Met betrekking tot dit bezwaar en beroep golden de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb. Ingevolge artikel 17 van de Beroepswet waren voorts de meeste bepalingen van hoofdstuk 8 van de Awb van overeenkomstige toepassing.

4.5. Met de inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2002 van de Wet organisatie en bestuur gerechten van 6 december 2001, Stb. 485, is een groot deel van de rechtspositionele beslissingen ten aanzien van rechterlijke ambtenaren in handen gelegd van het bestuur van het betrokken gerecht. Blijkens hetgeen onder 4.1 is overwogen, geldt dit gerechtsbestuur niet als bestuursorgaan en zijn derhalve, gelet op de definitie in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, beslissingen van dit bestuur geen besluiten. Met het oog op de rechtsbescherming tegen dergelijke beslissingen heeft de wetgever artikel 47, derde lid, van de Wrra gewijzigd in de hierboven onder 4.2 aangegeven zin.

4.6. De wetsgeschiedenis biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat daarmee tevens is beoogd inhoudelijk wijziging te brengen in het tot 1 januari 2002 geldende stelsel van rechtsbescherming. De wetgever heeft geen duidelijke aanwijzing gegeven dat hij de interne heroverweging via de bezwaarprocedure heeft willen afschaffen. Ligt een geruisloze afschaffing van de bezwaarmogelijkheid in het algemeen niet voor de hand, zulks geldt a fortiori voor de situatie van de rechterlijke ambtenaren voor wie de beroepsfase - om overigens begrijpelijke redenen - immers is beperkt tot het beroep in één rechterlijke instantie. Bovendien zou die afschaffing een ingrijpende breuk betekenen niet alleen met het voordien geldende stelsel van rechtsbescherming voor rechterlijke ambtenaren, maar ook met het stelsel van bestuurs- en ambtenarenrechtelijke rechtsbescherming in het algemeen. Niet valt aan te nemen dat de wetgever, indien zodanige breuk inderdaad was beoogd, daaromtrent geen stellige(r) aanwijzingen zou hebben gegeven.

4.7. Daarbij merkt de Raad nog op dat de wetgever de invoering van het gewijzigde artikel 47, derde lid, van de Wrra niet gepaard heeft doen gaan met het vaststellen van algemene en bijzondere procedurele voorschriften betreffende het daarin voorziene beroep tegen een beslissing van een gerechtsbestuur. Kennelijk is de wetgever ervan uitgegaan dat naast hoofdstuk 8 van de Awb, dat via artikel 17 van de Beroepswet grotendeels van overeenkomstige toepassing is, in ieder geval ook hoofdstuk 6 van de Awb op het beroep tegen een beslissing van een gerechtsbestuur van (overeenkomstige) toepassing is - hoewel dat hoofdstuk 6 is toegespitst op besluiten van bestuursorganen - in welk hoofdstuk immers bijvoorbeeld bepalingen zijn gegeven betreffende de beroepstermijn, de weigering van een beslissing en intrekking of wijziging hangende beroep. Daarvan uitgaande, is er geen goede grond om aan te nemen dat de wetgever niet ook hoofdstuk 7 van de Awb betreffende bijzondere bepalingen over bezwaar en administratief beroep van (overeenkomstige) toepassing acht. En het ligt in de rede dat de wetgever, indien hij afschaffing van de bezwaarprocedure zou hebben beoogd, dit in de tekst van de wet tot uitdrukking zou hebben gebracht door hoofdstuk 7 - althans artikel 7:1 van de Awb - met zoveel woorden buiten toepassing te verklaren. Ook dit is niet geschied.

4.8. Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat tegen verweerders beslissing van 25 maart 2003 geen rechtstreeks beroep bij de rechter openstaat. Eiser had eerst bezwaar moeten maken bij verweerder. Daarom dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. De Raad zal met overeenkomstige toepassing van artikel 6:15 van de Awb het beroepschrift naar verweerder zenden ter behandeling als bezwaarschrift.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) L.N. Nijhuis.

Q