Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN7576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
02/667 AW, 02/5388 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2001:AD9382
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het wachtgeld van betrokkene terecht op nihil gesteld omdat hij zich gedurende de relevante periode niet als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie had ingeschreven?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Rijkswachtgeldbesluit 1959 4a
Rijkswachtgeldbesluit 1959 13
Rijkswachtgeldbesluit 1959 13
Rijkswachtgeldbesluit 1959 14
Rijkswachtgeldbesluit 1959 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/667 AW

02/5388 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant,

en

[Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2001, nr. AW 01/782-ZET, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 11 april 2002 een nieuw besluit genomen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 september 2003. Partijen zijn - met bericht - niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Aan gedaagde is met ingang van 1 augustus 2000 eervol ontslag verleend, in verband waarmee hem met ingang van deze datum wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Rwb) is toegekend.

1.2. Omdat gebleken was dat gedaagde gedurende de periode van 1 augustus 2000 tot 2 november 2000 niet als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie stond ingeschreven, zonder dat gedaagde daarvoor een naar het oordeel van appellant acceptabele verklaring had gegeven, heeft appellant bij besluit van 8 december 2000 (besluit 1) het wachtgeld op nihil gesteld met ingang van 1 augustus 2000 tot 2 november 2000. Bij besluit van 21 december 2000 (besluit 2) heeft appellant van gedaagde een bedrag van f 8.022,95 netto teruggevorderd aan teveel betaald wachtgeld, onder vermelding dat dit bedrag wordt gebruteerd indien appellant het niet voor 1 januari 2001 van gedaagde heeft ontvangen. Bij besluit van 23 januari 2001 (besluit 3) heeft appellant de netto vordering wegens door hem afgedragen loonbelasting verhoogd tot een bedrag van f 11.134,63 belastbaar. Daarbij heeft appellant voorts besloten tot maandelijkse verrekening met de lopende wachtgelduitkering over te gaan, te beginnen met een eerste termijn van f 1.111,63 en vervolgens 10 termijnen van f 1.000,-.

1.3. Gedaagde heeft tegen de besluiten 1 en 3 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 19 februari 2001 heeft appellant gedaagdes bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank, vaststellend dat gedaagde uitsluitend bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten 1 en 3, heeft geoordeeld dat appellant zich ten onrechte heeft gebogen over de netto terugvordering van f 8.022,95 en zij heeft in zoverre het beroep tegen het bestreden besluit gegrond geacht. De vraag of appellant voorts besluit 1 terecht heeft gehandhaafd heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft gedaagdes beroep dan ook gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot besluit 1, opdracht gegeven alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar tegen besluit 3 en beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten.

2.1. In hoger beroep wordt de aangevallen uitspraak aangevochten voorzover deze op besluit 1 betrekking heeft. De rechtbank heeft de vernietiging van het bestreden besluit, waaraan voor wat betreft besluit 1 artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Rwb ten grondslag is gelegd, gebaseerd op een vergelijking van deze bepaling met artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het Rwb.

In deze artikelen is, voorzover in dit geval van belang, het volgende bepaald.

Artikel 13

(…)

3. Het recht op wachtgeld kan geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de betrokkene:

(…)

c. de in artikel 4a, eerste en tweede lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (…) bepaalde tijdstippen te doen verlengen.

Artikel 14

(…)

2. Het wachtgeld wordt niet uitbetaald voor de duur dat de betrokkene:

(…)

d. niet als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (…) staat ingeschreven, tenzij hij aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om te voldoen aan de in artikel 4a, eerste en tweede lid, gestelde verplichting.

De in artikel 4a van het Rwb bedoelde verplichting houdt kort gezegd in dat de betrokkene, zolang hij de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, verplicht is zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven uiterlijk op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.

Op grond van artikel 5 van de Sanctieregeling arbeidsmarktgedrag (Stcrt. 2000, 15, de sanctieregeling) kan bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het Rwb een korting toegepast worden van 5, 10 of 20% gedurende de verzuimtermijn, afhankelijk van de duur van het verzuim, met een maximum van 52 weken.

2.2. Blijkens de aangevallen uitspraak zag de rechtbank te weinig verschil tussen de hier aan de orde zijnde niet tijdige inschrijving bij aanvang van de wachtgeldperiode - waarop artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Rwb ziet - en de niet tijdige verlenging van de inschrijving of het tenietdoen ervan - de situatie waarop artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het Rwb in verbinding met artikel 5 van de sanctieregeling betrekking heeft - om het verschil te rechtvaardigen tussen een ingevolge de eerst genoemde bepaling opgelegde algehele weigering over de verzuimperiode van 3 maanden en de op te leggen korting van 10% over een verzuimperiode van maximaal 112 kalenderdagen die uit de laatstgenoemde bepalingen zou voortvloeien.

2.2.1. De rechtbank achtte het bestreden besluit, voorzover hierbij besluit 1 is gehandhaafd, om deze redenen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Ten overvloede heeft de rechtbank overwogen dat een korting van 20% voor de duur van het verzuim, naar analogie van de zwaarste sanctie waarin de op grond van artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het Rwb getroffen sanctieregeling voorziet, wel de rechterlijke toets zou kunnen doorstaan.

3. In het hiervoor vermelde besluit van 11 april 2002 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, onder het voorbehoud dat die uitspraak voorzover aangevochten in stand blijft, beslist het bezwaar van gedaagde tegen besluit alsnog gegrond te verklaren en bepaald dat met toepassing van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Rwb het wachtgeld van betrokkene over de periode van 1 augustus 2000 tot 2 november 2000 niet volledig wordt uitbetaald, maar dat daarop voor genoemde periode een korting van 20% wordt toegepast. Dit besluit wordt op de voet van de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding betrokken.

4. In hoger beroep voert appellant aan dat artikel 14, tweede lid, van het Rwb imperatief is en dat de rechtbank het verschil tussen deze bepaling en artikel 13 van het Rwb heeft miskend omdat het hier niet gaat om gelijksoortige bepalingen die ook tot gelijksoortige sancties behoren te leiden. Ook acht appellant de niet-uitbetaling van het wachtgeld gedurende de hier in geding zijnde periode niet onevenredig.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De omstreden terugvordering is uitsluitend gebaseerd op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Rwb. Met appellant is de Raad van oordeel dat gedaagde niet heeft aangetoond dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om te voldoen aan de in artikel 4a van het Rwb bedoelde verplichting zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te doen inschrijven uiterlijk op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. De verklaring die gedaagde voor de niet-inschrijving heeft gegeven namelijk dat hij dacht dat hij wel al bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als werkzoekende stond ingeschreven, aangezien hij zich al voordat hij werkloos werd in de zogenoemde sollicitantenbank van het Arbeidsbureau Rotterdam-Oost had laten opnemen, acht de Raad ontoereikend ter rechtvaardiging van zijn verzuim, nu appellant gedaagde informatie had verstrekt waaruit gedaagde had kunnen en moeten opmaken dat het om inschrijving ging en niet om opneming in een door werkgevers vrijblijvend te raadplegen sollicitantenbestand.

5.2. Het onder 5.1. overwogene betekent dat appellant op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Rwb gedaagde het wachtgeld niet mocht uitbetalen voor de duur dat hij niet ingeschreven stond bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

5.3. De Raad overweegt dat de imperatieve formulering van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Rwb appellant er niet van ontslaat zich ervan te vergewissen of het onverkort toepassen van deze bepaling niet in strijd komt met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde beginsel dat er evenredigheid dient te bestaan tussen de ernst van de nalatigheid van de betrokkene en de zwaarte van de opgelegde maatregel.

5.4. De Raad is van oordeel dat het besluit van appellant het wachtgeld in het geheel niet uit te betalen voor de duur van de periode dat gedaagde niet ingeschreven heeft gestaan bij de Arbeidsvoorzieningenorganisatie deze toetsing kan doorstaan. De strekking van een bepaling als artikel 14, tweede lid, aanhef en onder d, van het Rwb moet hierin gezocht worden dat de kansen van de betrokkene op een andere betrekking door arbeidsbemid-deling maximaal moeten worden benut. Hoe langer die inschrijving uitblijft des te meer kansen worden gemist op het vinden van werk en des te groter is het risico van een duurzaam beslag op de middelen waaruit het wachtgeld wordt betaald. In dit licht gezien is de algehele niet-uitbetaling van het wachtgeld gedurende de betrekkelijk korte periode als hier aan de orde, niet onevenredig te achten aan de ernst van de nalatigheid van gedaagde.

6. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit, voorzover daarbij besluit 1 is gehandhaafd, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

7. De aangevallen uitspraak voorzover aangevochten moet dan ook worden vernietigd. Met vernietiging in zoverre van de aangevallen uitspraak en door de ongegrondverklaring van gedaagdes beroep tegen het bestreden besluit, voorzover daarbij besluit 1 is gehandhaafd, komt de grondslag van het besluit van 11 april 2002 te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

8. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voorzover daarbij het besluit van 8 december 2000 is gehandhaafd, ongegrond;

Vernietigt het besluit van 11 april 2002.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2003.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

Q.