Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN4635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
20-11-2003
Zaaknummer
02/5357 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Valt eiser onder de categorie van degenen die vrijheidsberoving hebben ondergaan ivm onttrekking aan verplichte tewerkstelling? Is sprake geweest van een verplichte tewerkstelling?

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 2
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/5357 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Canada), eiser,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 22 augustus 2002, kenmerk JZ/R60/2002/0583, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift, zoals nadien nog enige malen schriftelijk aangevuld, is uiteengezet waarom eiser zich met dit besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 juli 2003. Aldaar is eiser niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, geboren op 30 november 1927 te Rotterdam, in mei 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij in juli 1942 bij een razzia te Rotterdam door de Duitse bezetter is opgepakt en gedurende twee jaar vastgeketend in een munitiefabriek te Braunschweig slavenarbeid heeft moeten verrichten en daarna nog op verschillende andere plaatsen onder bewaking verplicht tewerkgesteld is geweest tot zijn bevrijding door de Russen op

2 mei 1945 te Poznan in Polen.

Bij besluit van 28 december 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Daartoe is in het bijzonder overwogen dat het verplichte karakter van de tewerkstelling op geen enkele wijze wordt bevestigd en dat al daarom niet kan worden gesteld dat sprake is geweest van handelingen of maatregelen van de Duitse bezetter op grond van onttrekking aan verplichte tewerkstelling waardoor eiser vrijheidsberoving in de zin van de Wet zou hebben ondergaan. In dit verband heeft verweerster in aanmerking genomen dat bij het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis en het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (hierna: NIOD) noch in andere haar ter beschikking staande archieven gegevens zijn aangetroffen die eisers relaas bevestigen terwijl getuigenverklaringen ontbreken en evenmin namen van lotgenoten zijn genoemd.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet is bepaald dat onder vervolging tevens wordt verstaan handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen die zich aan verplichte tewerkstelling hebben onttrokken en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid onder a. Deze omstandigheden betreffen vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.

Uit hetgeen door eiser ter ondersteuning van zijn aanvraag naar voren is gebracht over zijn ervaringen gedurende de oorlogsjaren blijkt niet dat hij zich aan tewerkstelling heeft onttrokken en dáárom vrijheidsberoving heeft ondergaan. Reeds om deze reden is, strikt genomen, niet voldaan aan het bepaalde in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet. De omstandigheid dat een persoon gedurende de oorlogsjaren in Duitsland, al dan niet verplicht, tewerkgesteld is geweest valt op zichzelf niet onder het toepassingsbereik van de Wet. Dat die tewerkstelling onder erbarmelijke omstandigheden heeft plaatsgevonden maakt dit niet anders.

De Raad heeft voorts, met verweerster, geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat in het geval van eiser sprake is geweest van een verplichte tewerkstelling. In dit verband is niet alleen van belang dat van het verplichte karakter van die tewerkstelling generlei bevestiging is gevonden, maar ook dat eisers relaas - naar is aangegeven in door het NIOD bij brief van 14 juni 2001 ter zake aan verweerster verstrekte informatie - op diverse punten niet spoort met bekende historische gegevens. Daarbij is een belangrijk gegeven dat eiser in 1942 in verband met zijn leeftijd - in juli 1942 was eiser pas 14 jaar oud - niet viel onder de categorie van personen die ingevolge maatregelen van de bezetter voor verplichte tewerkstelling in aanmerking kwamen. Dat eiser blijkens een ter beschikking gekomen "Arbeitskarte" destijds wel in Braunschweig werkzaam is geweest kan naar het oordeel van het NIOD niet zijn gebeurd op grond van een maatregel van de bezetter tegen de burgerbevolking.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster terecht niet heeft aanvaard dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Daarmee is op zich niet miskend dat eiser gedurende de oorlogsjaren bijzonder ongunstige omstandigheden heeft meegemaakt; de Wet biedt echter in het geval van eiser geen mogelijkheid om op andere gronden dan hierboven aangegeven erkenning als vervolgde te verlenen.

Derhalve bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) L. Jörg.