Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AN4569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
01/3830 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is de aanvraag van betrokkene om op grond van de WUV vergoeding dan wel tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een auto terecht afgewezen?

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3830 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 31 mei 2001, kenmerk JZ/A70/2001/0477, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Namens eiseres is vervolgens nog ingediend het verslag d.d. 26 maart 2002 van de maatschappelijk werkster G. Sieben over (de gevolgen van) pogingen van eiseres om van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Het geding is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer van de Raad op 8 augustus 2002 en, na verwijzing naar de meervoudige kamer, opnieuw behandeld op 10 juli 2003.

Op beide zittingen is voor eiseres verschenen haar gemachtigde mr. Van Berkel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs respectievelijk A.T.M. Vroom-van Berckel, beiden werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren in 1966, met toepassing van artikel 3, tweede lid, oud, van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat eiseres psychische klachten heeft die in overwegende mate in verband staan met de door haar ouders ondergane vervolging vanwege hun afkomst als zigeuner.

In mei 2000 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een vergoeding van dan wel een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van een auto.

Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 16 november 2000, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, onder overweging dat deze voorziening op grond van eiseresses voor toepassing van de Wet aanvaarde klachten niet medisch dan wel sociaal-medisch is geïndiceerd. Daartoe is in het bijzonder overwogen dat geen sprake is geweest van "exposure" in het openbaar vervoer zodat een totale beperking om van het openbaar vervoer gebruik te maken niet kan worden geobjectiveerd. In dit verband is opgemerkt dat er melding wordt gemaakt van sterke anticipatieangst, maar niet van daadwerkelijke paniekreacties als uiting van fobische klachten, terwijl gegevens omtrent de feitelijke ernst van de angstreacties ontbreken. Een nadere psychiatrische expertise heeft verweerster niet nodig geacht.

In bezwaar en beroep is namens eiseres verwezen naar een op verzoek van verweerster in 1996 omtrent eenzelfde aanvraag van eiseres - nadien om andere, formele redenen afgewezen - door de psychiater G.C. Zwartjes te Tilburg opgemaakt rapport van onderzoek van eiseres, waarin is geconcludeerd dat het voor eiseres vanwege haar angststoornis en haar paranoïdie vrijwel onmogelijk is gebruik te maken van het openbaar vervoer, zonder forse angst en spanning. Ook bij het door verweersters geneeskundig adviseur, de arts R. van Gorkum, omtrent de huidige aanvraag ingestelde geneeskundig onderzoek is melding gemaakt van fobische klachten.

Eiseres meent dat verweerster onder deze omstandigheden niet, en zeker niet zonder nader psychiatrisch onderzoek, tot afwijzing van de aanvraag kon komen.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Naar de Raad al meermalen heeft geoordeeld is verweerster in gevallen als het onderhavige gerechtigd om eerst dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding of tegemoetkoming, indien (mede) op grond van de voor toepassing van de Wet in aanmerking te nemen ziekten en gebreken sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer gebruik te maken.

Blijkens de gedingstukken berust het standpunt van verweerster dat een zodanige situatie zich in het geval van eiseres niet voordoet, in de kern niet op medische gronden doch op de, aan de over eiseres vergaarde gegevens ontleende feitelijke vaststelling dat eiseres nimmer gebruik maakt van het openbaar vervoer zodat een zodanige verhindering niet is vast te stellen. Verweerster gaat daarbij kennelijk uit van het (beleidsmatige) standpunt dat een medische of medisch-sociale indicatie niet kan worden vastgesteld zolang een betrokkene niet aan deelname aan het openbaar vervoer is blootgesteld. Om die reden is ook een nader psychiatrisch onderzoek niet zinvol geacht. De vraag of bedoelde vaststelling in een geval als dat van eiseres inderdaad niet mogelijk is, is echter niet aan een psychiatrisch deskundige voorgelegd. De Raad is van oordeel dat verweerster dit ten onrechte heeft nagelaten.

De Raad is voorts uit andere soortgelijke zaken bekend dat een gericht psychiatrisch onderzoek wel degelijk - ook zonder dat "exposure in vivo" heeft plaatsgevonden - uitsluitsel heeft gegeven of een betrokkene vanwege psychische klachten al dan niet gebruik kan maken van het openbaar vervoer.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende is voorbereid en de motivering van het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is. Dit betekent dat, gelet op de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, het bestreden besluit niet in stand kan blijven en het beroep van eiseres gegrond moet worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres, welke zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het in dit geding betaalde griffierecht ad € 27,23 vergoedt;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2003.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.