Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AM7924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2003
Datum publicatie
11-11-2003
Zaaknummer
03/84 WUBO, 03/85 WUBO, 03/87 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd betrokkenen, kinderen uit een gemengd huwelijk, in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de WUBO omdat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/84 WUBO + 03/85 WUBO + 03/87 WUBO

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

1. [eiser], wonende te [woonplaats],

2. [eiser], wonende te [woonplaats], en

3. [eiseres], wonende te [woonplaats], eisers,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Onder dagtekening 29 november 2002, kenmerken JZ/X/2002/879, JZ/X/2002/878 en JZ/X/2002/880 heeft verweerster ten aanzien van ieder van eisers een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen deze besluiten hebben eisers bij de Raad beroep ingesteld. In het gelijkluidende beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eisers zich met de bestreden besluiten niet kunnen verenigen.

Verweerster heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn, gevoegd met het geding bij de Raad bekend onder nr. 02/931 WUBO, behandeld ter zitting van de Raad op 21 augustus 2003. Aldaar zijn eisers sub 2 en 3 in persoon verschenen, terwijl eiser sub 1 zich door eiseres sub 3 heeft doen vertegenwoordigen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In augustus 2001 hebben eisers, respectievelijk geboren op 19 januari 1938, op 20 oktober 1941 en op 14 juli 1940, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Daartoe hebben eisers gesteld dat zij gezondheidsklachten hebben overgehouden aan de oorlogservaringen tijdens de Duitse bezetting, die zij aan hun aanvraag ten grondslag hebben gelegd.

Bij besluiten van 5 juni 2002, zoals na bezwaar gehandhaafd bij de thans bestreden besluiten, heeft verweerster op deze aanvragen afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

In beroep hebben eisers aangevoerd dat zij van mening zijn dat verweerster de positie van gemengd gehuwden en hun kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog onjuist weergeeft door aan te geven dat kinderen uit een gemengd huwelijk geen handelingen of maatregelen van de Duitse bezetter te vrezen hadden, in welk verband zij onder meer hebben verwezen naar de zgn. Wannsee-documenten waaruit het tegendeel zou blijken.

De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of de bestreden besluiten, gelet op hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd, in rechte kunnen standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - onder burger- oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hem werden gericht.

De Raad stelt, overeenkomstig zijn constante jurisprudentie in dezen, voorop dat door of namens de bezetter uitgevaardigde algemene maatregelen, zoals de aanmeldplicht voor personen van geheel of gedeeltelijk "Joodschen bloede", niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet, tenzij, naar de omstandigheden beoordeeld, de specifieke uitwerking van dergelijke maatregelen aanleiding geeft tot een ander oordeel.

Blijkens de gedingstukken hebben eisers bij hun aanvraag en vervolgens in hun bezwaarschrift tegen de besluiten van 5 juni 2002, kort samengevat, aangevoerd dat zij als half-Joodse kinderen verschillende keren met hun moeder zijn ondergedoken uit angst voor razzia's. In verband met de vrees voor arrestatie van hun vader, omdat hij de verplichte arbeid probeerde te ontlopen, zou het gezin waartoe eisers behoorden vanaf oktober 1944 tot het einde van de oorlog de facto in het eigen huis zijn ondergedoken. Eiser sub 1 heeft bovendien aangevoerd dat hij vanaf zijn zesde jaar, net als zijn moeder, een gele ster moest dragen.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen kan aan de hand van de door de Duitse bezetter gegeven en in Nederland tijdens de bezettingsperiode van toepassing zijnde voorschriften, met name Verordening 189/1940, worden vastgesteld dat een betrokkene, die als kind uit een gemengd huwelijk geregistreerd stond, in beginsel niet blootstond aan handelingen of maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet.

De Raad is niet gebleken dat de concrete toepassing hiervan in het geval van eisers anders is geweest. In dit verband overweegt de Raad dat de status van de moeder van eisers niet bepalend is voor de beoordeling van de eigen aanvraag nu vaststaat dat eisers kinderen uit een gemengd huwelijk zijn. Ten aanzien van eisers staat eveneens vast dat zij niet tot de Joods-kerkelijke gemeente behoorden nu zij blijkens het door hen overgelegde 'Bewijs van aanmelding' geregistreerd stonden als Nederlands Hervormd. De door eisers gestelde onderduik samen met hun moeder, waarvoor overigens in het dossier van hun moeder geen bevestiging wordt verkregen nu daarin niet is vermeld dat moeder samen met de kinderen was ondergedoken, kan mitsdien niet worden aangemerkt als samenhangend met een concrete handeling of maatregel welke door of namens de vijandelijke bezettende macht tegen hen als persoon werd gericht. Zulks geldt in gelijke zin voor de gestelde onderduik in de eigen woning in verband met de vrees voor de arrestatie van hun vader. Nu uitgegaan dient te worden van de in Nederland ten tijde van de bezetting van toepassing zijnde voorschriften kan het bepaalde in het door eisers overgelegde Wannsee-document in dit verband niet tot een ander oordeel leiden.

Ten aanzien van de door eiser sub 1 vermelde sterdraagplicht overweegt de Raad dat, nog daargelaten dat dit onvoldoende aannemelijk is gemaakt, hiervoor evenmin een grondslag kan worden gevonden in de door de Duitse bezetter in Nederland afgekondigde maatregelen, zodat ook in dit opzicht het standpunt van verweerster onderschreven kan worden.

Mitsdien heeft verweerster de door eisers meegemaakte oorlogsgebeurtenissen terecht niet aangemerkt als oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet.

Gezien het vorenstaande kunnen de bestreden besluiten in rechte standhouden. Dit betekent dat de ingestelde beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J.Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2003.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) I.D. Veldman.