Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AM5415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
02/4881 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2002:AK6880
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Is betrokkene redelijkerwijs in verzuim geweest het griffierecht tijdig te betalen; door informatie griffie in verwarring?

Wetsverwijzingen
Beroepswet 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

02/4881 AW

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,

en

de Minister van Justitie, geopposeerde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij uitspraak van 23 januari 2003 heeft de Raad het door opposant ingestelde beroep tegen een ten aanzien van opposant gegeven uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 augustus 2002, onder nummer SBR 01/2259, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.

Tegen die uitspraak is opposant tijdig in verzet gekomen.

Namens geopposeerde is op 13 augustus 2003 een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het verzet is behandeld ter zitting van 2 september 2003, waar opposant in persoon is verschenen. Geopposeerde heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1.1. In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van een beroepschrift een griffierecht wordt geheven.

1.2. Bij brief van 29 oktober 2002 is opposant erop gewezen dat een griffierecht van € 165,- is verschuldigd, zo spoedig mogelijk te voldoen, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart. Bij deze brief was een (groene) bijsluiter gevoegd, waarin onder meer is vermeld dat de termijn waarbinnen het griffierecht moet zijn bijgeschreven vier weken bedraagt.

1.3. Vanwege een voorgenomen vakantie van 16 november tot en met 7 december 2002 heeft opposant op 15 november 2002 telefonisch contact opgenomen met de griffie van de Raad voor informatie over het griffierecht. Volgens opposant is hem toen door de griffie meegedeeld dat hij nog een aanmaning tot betaling van het griffierecht zou ontvangen met een nieuwe termijn van vier weken.

1.4. Bij aangetekende brief van 19 november 2002 is opposant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief alsnog dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is opposant erop gewezen dat hij er anders rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dit schrijven is op 16 december 2002 bij de Raad retour ontvangen met de mededeling "Niet afgehaald".

1.5. Op 17 december 2002 heeft opposant opnieuw telefonisch contact met de griffie opgenomen en is hem te verstaan gegeven dat wanneer hij direct per kas betaalt het griffierecht nog tijdig is betaald. Opposant heeft op 18 december 2002 het griffierecht per kas voldaan. Daarmee heeft hij de in de brief van 19 november 2002 gestelde termijn overschreden.

2. Opposant stelt in verzet dat hij door de Raad in verwarring is gebracht. In de groene bijsluiter - die tegelijk met de brief van 29 oktober 2002 is verzonden - wordt een betalingstermijn van vier weken genoemd. Opposant verwachtte eerst na afloop van deze termijn een aanmaning te ontvangen met opnieuw een termijn van vier weken, dit overeenkomstig hetgeen hij uit het telefonische contact met de griffie had begrepen. Opposant is van mening dat deze aanmaning een week te vroeg is verzonden en dat hij - nu hij met dit laatste geen rekening behoefde te houden en hij de aanmaning mede daardoor niet eerder in ontvangst kon nemen - mocht menen dat een betaling binnen acht weken na 29 oktober 2002 nog tijdig zou zijn. In die veronderstelling verkerende, heeft hij ook de mededeling dat "direct" moest worden betaald niet opgevat als een aansporing om nog op dezelfde dag, te weten 17 december 2002, per kas te komen betalen, maar heeft hij daarmee gewacht tot de volgende dag. Voorts geeft opposant aan de betaling zo lang mogelijk te hebben uitgesteld omdat hij vanaf 1 juli 2002 zonder inkomen zit.

3. Gelet op de beschikbare gegevens acht de Raad de door opposant in verzet geschetste gang van zaken rond zijn contacten met de Raad voldoende aannemelijk. Evenzeer aannemelijk is dat opposant om de door hem vermelde reden in verwarring is gebracht. Nu de communicatie omtrent een en ander voorzover die van de kant van de Raad heeft plaatsgevonden niet vlekkeloos is verlopen, mogen de gevolgen van deze verwarring niet voor rekening van opposant komen. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat opposant met de betaling van het griffierecht in verzuim is geweest.

4. Gezien het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, vijfde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond te verklaren. Gelet op artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) L.N. Nijhuis.

HD

16.10