Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AM5406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
04-11-2003
Zaaknummer
01/742 WW + 03/985 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moet op grond van hoofdstuk 4 WW ook de verplichting tot betaling van het salaris over de maand november worden overgenomen?

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 64
Werkloosheidswet 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2004, 11
USZ 2004/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/742 WW

03/985 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Woerden, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 22 december 2000 tussen partijen gegeven uitspraak (hierna: aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij schrijven van 29 maart 2001 heeft gedaagde meegedeeld te berusten in de aangevallen uitspraak en heeft hij nadere stukken overgelegd, waaronder een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuwe beslissing op bezwaar van

29 maart 2001.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant zijn bij brief van 2 mei 2001 nog nadere gegevens ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 augustus 2003, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. M.J. Klinkert, kantoorgenote van mr. Meerbach, voornoemd, en waar gedaagde met voorafgaand bericht zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden. Die feiten zijn door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Appellant is van 8 september 1997 tot 1 januari 1999 in dienstbetrekking werkzaam geweest van [naam werkgever] te [vestigingsplaats], handelend onder de naam [werkgever] (hierna: de werkgever). Over de periode tot 1 oktober 1998 was de werkgever aan appellant wegens loon verschuldigd het bedrag van f 10.617,86 bruto waarvan f 2.873,98 netto is betaald. Over de periode van 1 oktober 1998 tot en met 31 december 1998 had appellant recht op loon ten bedrage van 3x f 3.600,-- ofwel f 10.800,-- bruto. De werkgever heeft op 2 december 1998 het bedrag van f 2.413,98 netto betaald en daarbij expliciet aangegeven dat dit het salaris over november 1998 betrof. Ten bewijze daarvan heeft appellant een kwitantie in het geding gebracht.

De werkgever is bij vonnis van de kantonrechter te Terneuzen d.d. 20 oktober 1999 veroordeeld om onder meer achterstallig loon - het salaris over de maand november 1998 daaronder niet begrepen -, vakantietoeslag, vergoeding wegens niet-genoten vakantiedagen en enige andere bedragen, waaronder die wegens buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, aan appellant te voldoen.

Nadat intussen was gebleken dat de werkgever op 6 oktober 1999 in staat van faillissement is verklaard heeft appellant gedaagde verzocht om uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Uit het op dat verzoek genomen besluit van 16 december 1999 blijkt dat gedaagde een aantal achterstallige verplichtingen van de werkgever heeft overgenomen, waaronder het salaris over de maanden oktober en december 1998 doch niet het salaris over de maand november 1998, terwijl verder de buitengerechtelijke kosten en proceskosten zoals toegewezen door de kantonrechter slechts worden overgenomen in de verhouding waarin het loon e.a. is overgenomen. Bij besluit van 17 juli 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 17 juli 2000 vernietigd, gedaagde opgedragen opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen en gedaagde verwezen in de kosten en het griffierecht van appellant. Het standpunt van gedaagde dat het loon over de maand november 1998 niet en de buitengerechtelijke kosten slechts voor een deel voor overname in aanmerking komen heeft de rechtbank daarbij onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank dienen echter de proceskosten in het geding bij de kantonrechter geheel te worden overgenomen.

Gedaagde heeft in deze uitspraak berust en ter uitvoering daarvan het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit van 29 maart 2001 (het bestreden besluit) genomen. Bij dat besluit heeft gedaagde tevens opnieuw overneming van het salaris over de maand november 1998 afgewezen en zijn standpunt omtrent gedeeltelijke overneming van de buitengerechtelijke incassokosten gehandhaafd. Nu met dat besluit slechts gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant tegen het besluit van gedaagde van 17 juli 2000, zal dat besluit op de voet van de artikelen 6:18 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de behandeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak worden betrokken. Nu voorts op de bezwaren van appellant, voor zover daaraan niet is tegemoet gekomen, inhoudelijk zal worden ingegaan in het kader van de beoordeling van het bestreden besluit, is de Raad, mede lettende op hetgeen hierna zal worden overwogen met betrekking tot het bestreden besluit, van oordeel dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit op bezwaar van 17 juli 2000, noch van het in de aangevallen uitspraak terzake daarvan neergelegde oordeel van de rechtbank, zodat appellant in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Voor de Raad ligt thans ter beantwoording de vraag voor of het bestreden besluit van 29 maart 2001 in rechte stand kan houden. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad is nog in geschil de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit terecht heeft besloten dat het salaris over de maand november 1998, welke maand is gelegen in de periode als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder a, van de WW (de referentieperiode), te weten van 2 oktober 1998 tot en met 31 december 1998, niet voor overname in aanmerking komt, en, in het verlengde daarvan, of de buitengerechtelijke kosten in een juiste omvang zijn overgenomen.

Appellant stelt zich op het standpunt dat uit artikel 4, tweede lid, aanhef, tweede streepje, van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen (EG) van 20 oktober 1980, no. 80/987/EEG, in samenhang met de aan die bepaling gegeven uitleg door het Hof van Justitie EG in zijn arrest van 14 juli 1998, nr. C-125/97 (het arrest Regeling), gepubliceerd in RSV 1998/272 en USZ 1998/230, volgt dat, indien een werknemer onvervulde aanspraken heeft jegens de werkgever, welke aanspraken niet alleen betrekking hebben op de referentieperiode maar tevens op de daaraan voorafgaande periode, de door de werkgever in de referentieperiode verrichte betalingen bij voorrang moeten worden toegerekend aan de vóór de referentieperiode ontstane en nog onvervulde aanspraken. Dat standpunt leidt er toe dat in de omstandigheden van het voorliggende geval de door de werkgever op 2 december 1998 aan appellant verrichte betaling niet dient te worden aangemerkt als salarisbetaling over de maand november 1998, maar dient te worden toegerekend aan de onvervulde aanspraken van vóór de referentieperiode, zodat het salaris over de maand november 1998 alsnog voor overname door gedaagde in aanmerking komt. Daarnaast stelt appellant dat, indien alsnog in rechte komt vast te staan dat gedaagde ook het salaris over de maand november 1998 dient over te nemen, door gedaagde tevens een bedrag dient te worden nabetaald ten titel van buitengerechtelijke incassokosten, welk bedrag wordt gesteld op 15% van het salaris over de desbetreffende maand. Tenslotte heeft appellant verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen bedragen.

Gedaagde heeft zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij niet tot enige verdere betaling is gehouden. Hij heeft daarbij gesteld dat uit genoemd arrest van het Hof van Justitie EG volgt dat betalingen die in de referentieperiode door de werkgever zijn gedaan maar die kennelijk betrekking hebben op betalingsverplichtingen van vóór die periode, moeten worden toegerekend aan laatstbedoelde verplichtingen en dat die betalingen alsdan niet mogen worden toegerekend aan openstaande verplichtingen uit de referentieperiode. Nu de betaling door de werkgever op 2 december 1998 niet kennelijk betrekking heeft op een betalingsverplichting van vóór de referentieperiode, maar expliciet door de schuldenaar is aangemerkt als betaling van het salaris over de maand november 1998, doet zich volgens gedaagde de in genoemd arrest aan de orde zijnde situatie niet voor.

De Raad overweegt als volgt.

De Richtlijn van de Raad van de EG, no. 80/987/EEG, van 20 oktober 1980, betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgevers (hierna: de richtlijn), beoogt aan werknemers van gemeenschapswege een minimum aan bescherming te bieden in geval van insolventie van hun werkgever, onverminderd in de Lid-Staten bestaande gunstiger bepalingen. De Richtlijn is in Nederlands recht (onder meer) omgezet bij de WW, Hoofdstuk IV. Volgens het bepaalde in dat hoofdstuk heeft de werknemer wiens werkgever failliet is verklaard en die loon of vakantiegeld te vorderen heeft, onder meer recht op uitkering ten bedrage van het loon over ten hoogste dertien weken onmiddellijk voorafgaand aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking, hetgeen overeenkomt met de referentieperiode van drie maanden vóór de datum van de aanzegging van het ontslag, bedoeld in artikel 4, lid 2, aanhef, tweede streepje, van de Richtlijn.

In zijn hierboven genoemd arrest heeft het Hof van Justitie EG op de hem door de rechtbank Alkmaar krachtens artikel 177 EG-Verdrag voorgelegde prejudiciële vraag geantwoord dat artikel 4, lid 2, van de Richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat indien een werknemer jegens zijn werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid, gelegen vóór de in die bepaling genoemde referentieperiode, en tegelijkertijd vorderingen over de referentieperiode zelf, de door de werkgever in laatstgenoemde periode verrichte loonbetalingen bij voorrang moeten worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken. Aan het arrest van het Hof van Justitie EG ontleent de Raad in dit verband de volgende overwegingen:

"19. (…) De richtlijn beoogt weliswaar slechts een gedeeltelijke harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten op het gebied van de bescherming van werknemers die het slachtoffer zijn van insolventie van hun werkgever, maar dit neemt niet weg, dat de verwijzende rechter vraagt om uitlegging van de woorden 'onvervulde aanspraken (…) die betrekking hebben op het loon over de laatste drie maanden' van de arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding vóór de datum van de aanzegging van het ontslag, in de zin van artikel 4 lid 2 tweede streepje van de richtlijn. Daar juist met deze woorden wordt vastgelegd, wat de communautaire waarborg minimaal inhoudt, moeten zij eenvormig worden uitgelegd opdat de, zij het gedeeltelijke, harmonisatie die binnen de Gemeenschap wordt nagestreefd, niet van haar effect wordt beroofd.

20. Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de waarborgfondsen ingevolge art. 3 lid 1 van de richtlijn in beginsel gehouden zijn de onvervulde aanspraken te honoreren die betrekking hebben op het loon over de vóór een bepaalde datum vallende periode. Slechts bij wijze van uitzondering hebben de Lid-Staten op grond van art. 4 lid 1 de bevoegdheid deze betalingsverplichting te beperken tot een bepaalde, overeenkomstig art. 4 lid 2 vastgestelde periode. Zoals de Advocaat-Generaal in punt 45 van zijn conclusie beklemtoont, moet deze bepaling eng worden uitgelegd en in overeenstemming met het sociale doel van de richtlijn, dat erin bestaat een minimum aan bescherming te verzekeren aan alle werknemers.

21. Heeft een werknemer, zoals in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde geval, onvervulde aanspraken over perioden van arbeid gelegen vóór de referentieperiode, dan zou, indien door de werkgever in die periode verrichte betalingen aan de in die periode ontstane aanspraken werden toegerekend ondanks het bestaan van oudere, onbetaald gebleven aanspraken, de door de richtlijn gewaarborgde minimumbescherming rechtstreeks worden aangetast; de verlening van deze bescherming zou dan afhangen van de toevallige dan wel weloverwogen beslissing van de werkgever om al dan niet bepaalde betalingen te verrichten gedurende de referentieperiode.

22. Het zou immers tegen de bedoeling van de richtlijn ingaan om art. 4 lid 2 zodanig uit te leggen, dat de werknemer in dat laatste geval geen aanspraak kan maken op de waarborg voor de loonderving die hij in de referentieperiode daadwerkelijk heeft ondervonden."

De Raad is, gelet op de uit het EG-recht voortvloeiende verplichting tot uitlegging van zijn nationaal wettelijke bepalingen conform het gemeenschapsrecht en op het hierboven gedeeltelijk geciteerde arrest Regeling, van oordeel dat het hoger beroep van appellant doel treft. De door het Hof van Justitie EG vooropgestelde minimumbescherming van de Richtlijn brengt naar 's Raads oordeel mee dat de in het voorliggende geval door de werkgever in de referentieperiode op 2 december 1998 gedane loonbetaling bij voorrang dient te worden toegerekend aan vóór de referentieperiode ontstane en nog onvervulde aanspraken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat gedaagde alsnog het achterstallig salaris van appellant over de maand november 1998 dient over te nemen. Dit brengt voorts mee dat gedaagde het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, gesteld op een percentage van de te betalen hoofdsom, onjuist, want te laag, heeft vastgesteld. Laatstbedoeld bedrag had moeten worden vastgesteld op 15% van het salaris over de maanden oktober tot en met december 1998 in plaats van 15% van het totaalbedrag van het salaris over de maanden oktober en december 1998. Het verschil tussen beide bedragen dient gedaagde alsnog aan appellant uit te betalen.

Gelet op hetgeen hij hierboven heeft overwogen, acht de Raad voorts het verzoek van appellant om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden schade, bestaande uit de wettelijke rente toewijsbaar. Gedaagde dient de wettelijke rente te vergoeden over het na te betalen bedrag aan loon en buitengerechtelijke incassokosten, waarop appellant alsnog moet worden geacht aanspraak te hebben, en wel met ingang van 1 februari 2000. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar 's Raads uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in RSV 96/182.

De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

Verklaart het beroep, voor zover het wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 maart 2001, gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep begroot op € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 77,14 (f 170,-) aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2003.

(get.) M.A. Hoogeveen

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning

MvK1610

Q.