Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AM2603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
03/1705 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene kreeg geen vaste aanstelling en ook geen verlenging van de tijdelijke aanstelling. Kon in redelijkheid van betrokkene het beeld worden gekregen van een medewerker die zijn eigen positie en de (hiërarchische) verhoudingen in de organisatie miskent?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/1705 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2003, nr. AWB 01/4574 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 september 2003, waar appellant, zoals door hem bij schrijven van 3 september 2003 is bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Viergever-van Mourik, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant is met ingang van 1 juli 1999 aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd voor een proeftijd van 24 maanden. De aanstelling, bij het bureau AVT/NL, is geschied op grond van artikel 110 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in verbinding met artikel 6, tweede lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenaren-reglement (ARAR). Gedurende korte tijd was mevrouw W hoofd van het bureau.

1.2. Tegen het besluit van 24 december 1999 tot ontheffing van mevrouw W van haar functie van bureauhoofd heeft (ook) appellant rechtsmiddelen aangewend. Tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2001 op zijn beroep tegen het naar aanleiding van zijn bezwaar tegen het besluit van 24 december 1999 genomen besluit heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Raad, welk hoger beroep door hem bij schrijven van 3 september 2003 is ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 31 mei 2001 heeft gedaagde besloten om appellant bij het verstrijken van de tijd van de tijdelijke aanstelling op 1 juli 2001 geen vaste aanstelling te verlenen en de tijdelijke aanstelling niet te verlengen. Na bezwaar heeft gedaagde dat besluit gehandhaafd bij het door appellant bestreden besluit van 5 november 2001.

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij kwam daartoe na bevestigende beantwoording van de vraag of gedaagde in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat appellant niet aan de door gedaagde redelijkerwijs te stellen verwachtingen had voldaan. Op grond van de gedingstukken had de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat sprake was van een voortdurend autoriteits-conflict met het nieuwe hoofd van het bureau, mevrouw A: appellant wenste zich regelmatig niet neer te leggen bij de door dit bureauhoofd gegeven aanwijzingen, begaf zich voortdurend met haar in discussie, liet zijn eigen standpunten prevaleren, nam veelvuldig het standpunt in dat het nieuwe hoofd haar functie onrechtmatig is gaan waarnemen en dat zij daarvoor niet competent was.

3.1. Appellant heeft in zijn schrijven van 3 september 2003 waarbij hij zijn niet-verschijnen ter zitting mededeelde, tegen de weigering van de Raad om de zittingsdatum te verschuiven de grief geuit dat het hem onmogelijk is gemaakt de zitting naar behoren voor te bereiden. Met name zou de Raad hem niet de tijd laten om jurisprudentie en doctrine te raadplegen, nadere stukken in te zenden en getuigen op te roepen.

3.2. In zijn hoger-beroepschrift heeft appellant zich gekeerd tegen het zijns inziens impliciete oordeel van de rechtbank dat gedaagde niet heeft gehandeld in strijd met een geschreven rechtsregel, tegen de overweging van de rechtbank dat ondertekening door appellant van een opinieartikel in NRC geen rol zou hebben gespeeld bij het bestreden besluit, tegen de overweging dat appellants verzet tegen de ontheffing van zijn bureauhoofd zich heeft gemanifesteerd in een autoriteitsconflict alsmede tegen het oordeel van de rechtbank dat gedaagde beslist wie het bureau AVT/NL aanstuurt.

4. Namens gedaagde is als algehele conclusie naar voren gebracht dat van het functioneren van appellant een totaalbeeld is ontstaan op grond waarvan gedaagde van mening is dat appellant niet past in zijn organisatie en dat daarom de proef als niet geslaagd moet worden beschouwd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In de eerste plaats verwerpt hij de grief tegen de weigering van de Raad om de zitting uit te stellen. Hij is van oordeel dat appellant tussen de datum waarop hem het definitieve tijdstip van de behandeling ter zitting is gemeld en dat tijdstip voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om, voorzover nog nodig na het indienen van het uitvoerige beroepschrift in dit hoger beroep, de door hem onder 3.1. vermelde handelingen te verrichten. Voorts overweegt de Raad daarbij dat hij partijen niet heeft opgeroepen om ter zitting te verschijnen en dat het standpunt van appellant uit de gedingstukken genoegzaam naar voren komt.

5.2. Naar aanleiding van de, onder 3.2. samengevat weergegeven, inhoudelijke grieven van appellant overweegt de Raad dat hij zich kan vinden in het, onder 2. samengevat weergegeven, oordeel van de rechtbank. Nadat zij de juiste toetsingsmaatstaf heeft vooropgesteld, is de rechtbank naar het oordeel van de Raad tot de juiste conclusie gekomen dat gedaagde in redelijkheid van appellant het beeld heeft gekregen van een medewerker die zijn eigen positie en de (hiërarchische) verhoudingen in de organisatie van gedaagde miskent en daarmee niet voldeed aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen. Daarbij kan - gelijk de rechtbank oordeelde - in het midden blijven of elk afzonderlijk daartoe naar voren gebracht voorbeeld (geheel) juist is. Van een schending van een geschreven rechtsregel waardoor het bestreden besluit in rechte onhoudbaar zou moeten worden geoordeeld, is de Raad, tot slot, niet gebleken.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak gelet op de in 5.2. vermelde gronden moet worden bevestigd.

7. Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2003.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

06.10