Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AM2530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2003
Datum publicatie
10-11-2003
Zaaknummer
01/4284 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het destijds bestaande nazorgprogramma, gelet op de toen aanwezige kennis omtrent het voorkomen van PTSS bij uit oorlogsgebieden terugkerende militairen, niet zodanig te kort geschoten dat van onrechtmatig handelen moet worden gesproken?

Wetsverwijzingen
Militaire Ambtenarenwet 1931
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/9
JB 2003/328 met annotatie van GEvM
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4284 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Staatssecretaris van Defensie, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlage, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 15 juni 2001, nr. AWB 00/9017 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 augustus 2003, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Reigersberg Versluys. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Harderwijk.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Gedaagde diende als beroepsmilitair voor bepaalde tijd bij de Koninklijke Landmacht (KL). Van 8 november 1992 tot

3 mei 1993 is hij uitgezonden geweest naar het voormalige Joegoslavië. Tijdens die uitzending heeft hij verschillende ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt.

1.2. Na terugkomst van zijn uitzending is gedaagde psychisch uit zijn evenwicht geraakt. Op 7 augustus 1995 heeft hij brand gesticht in het huis van zijn buren; de daaropvolgende dag heeft hij zijn eigen huis in brand gestoken. Gedaagde is door de militaire kamer van de rechtbank Arnhem voor de brandstichting op 7 augustus 1995 ontoerekeningsvatbaar verklaard en ontslagen van rechtsvervolging. Voor de brandstichting op 8 augustus 1995 is hij gestraft met een straf die gelijk was aan de duur van het voorarrest en een proeftijd van twee jaar; als bijzondere voorwaarde is hem opgelegd dat hij zich gedurende de proeftijd diende te gedragen conform de voorschriften en aanwijzingen van zijn behandelaars in het Centraal Militair Hospitaal (CMH) voorzover en zolang dat door deze noodzakelijk werd geacht.

1.3. Gedaagde heeft appellant - onder andere - verzocht om aansprakelijkheid te aanvaarden voor wat hem ten gevolge van zijn uitzending overkomen is en op grond daarvan tot vergoeding van zijn schade over te gaan. Bij besluit van 2 juni 1998 heeft appellant dat verzoek afgewezen. Bij het thans bestreden besluit van 17 juli 2000 heeft appellant, na bezwaar, zijn weigering gehandhaafd.

2.1. De rechtbank heeft het namens gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Voorts zijn bepalingen gegeven inzake de proceskosten en het griffierecht.

2.2. De rechtbank heeft daartoe - voorzover hier van belang - overwogen dat appellant op grond van de ervaringen die waren opgedaan met de uitzendingen van militairen naar Libanon had behoren te weten dat bij van uitzending terugkerende militairen problemen als een posttraumatische stressstoornis (PTSS) kunnen voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant mitsdien voor de terugkerende militairen over een adequaat nazorgprogamma moeten beschikken en had hij gespitst moeten zijn op de door die militairen afgegeven directe of indirecte signalen die in verband zouden kunnen worden gebracht met een eventueel bij hen bestaande psychische problematiek. Aangezien appellant volgens de rechtbank in beide aspecten nalatig is gebleven, heeft appellant naar haar oordeel jegens gedaagde toerekenbaar onrechtmatig gehandeld.

3.1. Appellant heeft zich met het hierboven weergegeven oordeel van de rechtbank niet kunnen verenigen; hij is van mening dat hij niet onrechtmatig jegens gedaagde heeft gehandeld en dat het inleidend beroep ongegrond had moeten worden verklaard.

3.2. Gedaagde heeft zich geheel in het oordeel van de rechtbank kunnen vinden.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Allereerst overweegt de Raad dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld dat de norm zoals die door de Raad in zijn uitspraak van 22 juni 2000 (TAR 2000, 112) is neergelegd, in de onderhavige zaak niet van toepassing is. Partijen hebben ter zitting van de Raad te kennen gegeven zich in het standpunt van de rechtbank te kunnen vinden. De Raad ziet geen aanleiding hierop thans verder in te gaan.

4.2. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de KL ook destijds wel degelijk over een adequaat nazorgprogramma beschikte. Vanaf het begin van de UNPROFOR uitzendingen in 1992 is de KL proactief geweest met het bieden van hulp aan de uit te zenden en uitgezonden militairen. Deze hulp houdt volgens hem onder andere in dat de militairen voorafgaand aan de uitzending worden geïnformeerd over de gezondheidsrisico's. Dat appellant inmiddels als gevolg van voortschrijdend inzicht over een (veel) uitgebreider begeleidings- en nazorgprogramma beschikt betekent niet, aldus zijn gemachtigde, dat de hulp die destijds werd geboden, zo adequaat was dat dat als onrechtmatig handelen moet worden beschouwd. In het geval van gedaagde heeft gedurende de uitzending een psycholoog, majoor Sanders, bijstand verleend aan het peloton van gedaagde. Appellant betwist voorts dat de nazorg van gedaagde slechts zou hebben bestaan uit een debriefing van één uur en een kort gesprek met een psycholoog van het CMH, waarvan de rechtbank bij haar oordeelsvorming is uitgegaan.

4.3. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat het destijds bestaande nazorgprogramma, gelet op de toen aanwezige kennis omtrent het voorkomen van PTSS bij uit oorlogsgebieden terugkerende militairen, niet zodanig te kort schoot dat van onrechtmatig handelen moet worden gesproken. Dat dit programma voor verbetering vatbaar is gebleken rechtvaardigt die conclusie evenmin.

4.4. Met betrekking tot de debriefing stelt de Raad vast dat ter zitting onweersproken is gebleken dat gedaagde in een ander verband heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het moment van de debriefing al korte gesprekken had gehad met een psychiater en een arts van het Ministerie van Defensie. Voorts is uit de gedingstukken eveneens gebleken dat gedaagde juist door zijn leidinggevenden was gewezen op het belang van de debriefing. Hem was verteld dat met name die dag het moment bij uitstek was om eventuele psychische problemen te bespreken en dat men daarvoor bij een ieder die vanuit de organisatie aanwezig was, kon aankloppen. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant voor wat betreft de debriefing van gedaagde niet onzorgvuldig heeft gehandeld. In zoverre kan geen sprake zijn van een onrechtmatig handelen jegens gedaagde.

4.5. Anders dan de rechtbank is appellant van mening dat de medewerkers van de Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD) en die van het CMH voldoende alert hebben gereageerd op de, mogelijk met een PTSS samenhangende, signalen van gedaagde. Appellant heeft daartoe voor wat betreft de MDD gewezen op het door hem ingebrachte overzicht van de contacten met gedaagde gedurende de periode van 15 januari 1993 tot en met 7 april 1998. Ter zake van het CMH heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van een verslag van het gesprek van gedaagde met een psycholoog van het CMH niet, zoals gedaagde heeft betoogd, zonder meer betekent dat er onzorgvuldig is gehandeld. Volgens appellant waren er kennelijk geen bijzonderheden te vermelden waardoor ook geen vervolgstappen in het kader van een eventuele behandeling moesten worden genomen.

4.6. Ten aanzien van de aansprakelijkheid van appellant voor het handelen van de medewerkers van de MDD en het CMH stelt de Raad voorop dat hij conform zijn bestendige jurisprudentie (zie onder andere CRvB 3 oktober 2002, TAR 2003, 56) appellant gehouden acht tot vergoeding van de schade die een gevolg is van een aan hem toe te rekenen optreden van een ander indien - en hier zoekt de Raad aansluiting bij het in artikel 6:170 van het BW tot uitdrukking gebrachte beginsel inzake de aansprakelijkheid voor ondergeschikten - deze schade is veroorzaakt door een als een onrechtmatige gedraging aan te merken fout van een onder de verantwoordelijkheid van appellant werkzame persoon, indien de kans op de fout is vergroot door de taakopdracht aan die persoon en indien appellant zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen. De Raad dient derhalve te beoordelen of de medewerkers van de MDD en het CMH een fout in de zin van een onrechtmatige daad jegens gedaagde hebben begaan, welke heeft geleid tot de schade waarvoor gedaagde vergoeding heeft gevraagd.

4.6.1. Voor wat het handelen van de MDD betreft, stelt de Raad allereerst vast dat uit het in 4.5. genoemde overzicht van de MDD blijkt dat in de contacten van gedaagde in hoofdzaak de kwestie rond het dreigende einde van zijn dienstverband

- gedaagde had een aanstelling voor bepaalde tijd - aan de orde is gesteld. Van een concrete hulpvraag inzake zijn psychische problemen samenhangend met de ondervonden ingrijpende gebeurtenissen blijkt in dat overzicht niet. In dat verband kan de Raad niet inzien dat de MDD niet adequaat op gedaagdes psychische problemen zou zijn ingegaan. Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat gedaagde in een ander verband heeft verklaard dat de MDD wel degelijk adequaat op de signalen van de toenmalige echtgenote van gedaagde heeft gereageerd doordat een medewerker van de MDD daarop tot tweemaal toe een huisbezoek heeft afgelegd en een telefoonnummer heeft achtergelaten dat gedaagde dag en nacht kon bellen. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat medewerkers van de MDD niet verweten kan worden onzorgvuldig te hebben gehandeld. Van een fout zoals in 4.6. bedoeld, kan derhalve in dit opzicht niet worden gesproken.

4.6.2. Ten aanzien van het gesprek van de psycholoog van het CMH met gedaagde gaat de Raad ervan uit dat hetgeen daarin werd besproken betrekking had op de problemen die gedaagde ondervond met betrekking tot het dreigende einde van zijn dienstverband bij de KL en zijn lichamelijke ongemakken ten gevolge van (de complicaties van) een pols-blessure. Gedaagde heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het hier bedoelde gesprek andere dan vorenvermelde zaken aan de orde zijn gesteld. Naar het oordeel van de Raad - nog daargelaten welke gevolgen daaraan zouden moeten worden verbonden indien deze grief doel zou treffen - kan ook hier niet worden gesproken van een, wat de zorgverlening betreft, onzorgvuldig handelen, en derhalve is van een fout als in 4.6. bedoeld geen sprake.

4.7. Met betrekking tot het verwijt dat appellant na de zelfmoord van een pelotonsgenoot van gedaagde niet adequaat zou hebben gereageerd overweegt de Raad als volgt. Gedaagde is kort nadien gedecompenseerd. De Raad ziet niet in dat appellant bij het ontbreken van meer specifieke signalen van gedaagde in de zelfmoord van gedaagdes pelotonsgenoot aanleiding had moeten zien directe actie jegens gedaagde te ondernemen, nog daargelaten of die actie gedaagdes decompenseren zou hebben kunnen voorkomen.

4.8. Uit het vorenstaande volgt derhalve dat het bestreden besluit door de rechtbank ten onrechte is vernietigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 17 juli 2000 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.