Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AM2257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2003
Datum publicatie
10-11-2003
Zaaknummer
01/2807 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem ontvangen jaarlijks uitbetaalde éénmalige uitkering niet behoort tot de uitzondering op het loonbegrip als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en sub d, van de Dagloonregelen IWS?

Wetsverwijzingen
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 1
Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2003/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2807 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 juni 2000 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat de door hem ontvangen tantième niet wordt meegenomen in de dagloonberekening voor zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 20 november 2000 (verder te noemen: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 11 april 2001 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 september 2003. Beide partijen zijn daar niet verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Sinds 1 mei 1995 werkte appellant als [naam functie] in dienst van Autobedrijf Britannia BV te Vlissingen. De Kantonrechter te Middelburg heeft bij Beschikking van 2 maart 2000 op verzoek van appellants werkgever de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2000 ontbonden.

Volgens opgave van appellant behoorde tot zijn salaris een dertiende maand, zijn werkgever heeft in de loonopgave ten behoeve van de WW-aanvraag van appellant aangegeven dat het om een uitkering ging die afhankelijk was van de bedrijfsresultaten en dat per jaar werd bekeken of de uitkering (ter hoogte van een maandsalaris) werd uitbetaald.

Volgens appellant is de dertiende maand mondeling toegezegd bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in 1995 en is er nooit gesproken over winstafhankelijkheid. Appellant heeft gegevens overgelegd waaruit de jaarlijkse betaling van de dertiende maand blijkt en ook gegevens waaruit moet blijken dat de werkgever in 1995 verlies leed, maar dat desondanks betaling van de tantième plaatsvond.

Bij de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst heeft appellant zich ook op het standpunt gesteld dat het om een dertiende maand ging die vast werd uitbetaald. De werkgever heeft in juni 2000 de éénmalige uitkering over 1999 en het met de eerste drie maanden van 2000 corresponderende deel daarvan uitbetaald.

De werkgever heeft een deel van een verslag van een bespreking op 28 april 1998 met de accountant van de werkgever overgelegd, waarin is opgenomen dat de komende jaren, indien de winst het toelaat, het bruto maandloon als uitgangspunt wordt gebruikt voor de vaststelling van de tantièmes.

Gedaagde heeft in het bestreden besluit gewezen op de verklaring van de werkgever in de loonopgave en het verslag van de bespreking van 28 april 1998.

Uit dit verslag kan volgens gedaagde worden opgemaakt dat de uitkering, zo niet op te vatten als een echte tantième, in elk geval tot de restgroep 'andere dergelijke uitkeringen' als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, van de Dagloonregels IWS, aangezien voor de vrijgave kennelijk een voorafgaand besluit van het ondernemingsbestuur werd gegeven.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en sub d, van de Dagloonregelen IWS worden niet geacht tot het loon te behoren gratificaties, tantièmes, uitkeringen ingevolge winstdeling, uitkeringen in de vorm van aandelen en andere dergelijke uitkeringen.

Uit de jurisprudentie van de Raad, zoals onder meer blijkt uit RSV 1994/8 en RSV 1996/229, volgt dat uitzonderingen op het -in de verbinding tussen de Coördinatiewet sociale verzekeringen en Dagloonregelen besloten liggende- equivalentiebeginsel niet extensief dienen te worden geïnterpreteerd.

Voorts volgt uit deze jurisprudentie van de Raad dat een loonelement niet onder de genoemde uitzondering valt indien deze van dag tot dag wordt opgebouwd en indien de betaling ervan niet door de bedrijfsresultaten wordt beïnvloed.

Niet doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of een loonelement behoort tot de in artikel 1, derde lid, aanhef en sub d, van de Dagloonregelen IWS genoemde onderwerpen is de naam die partijen daaraan geven. De Raad stelt vast dat bij de uitbetaling van de tantième door de werkgever "gratificatie", "éénmalige uitkering" of "tantième" werd vermeld.

Dat appellant als gevolg van het feit dat over de betaling en de aard van die betaling in 1995 alleen mondelinge afspraken zijn gemaakt in bewijsnood kan komen, dient in beginsel voor zijn rekening en risico te komen. Dat laat echter onverlet dat het hem vrij staat op andere wijze aannemelijk te maken dat het door hem jaarlijks ontvangen bedrag niet behoort tot de in artikel 1, derde lid, sub d, van de Dagloonregelen IWS vermelde uitzonderingen op het loonbegrip. Naar het oordeel van de Raad is appellant hierin geslaagd.

Van meet af aan heeft appellant consequent en consistent betoogd dat hier sprake is van een loonelement dat onafhankelijk van de hoogte van de winst werd uitbetaald. Voor de juistheid van deze stelling heeft hij ook het nodige bewijs geleverd. Jaarlijks heeft betaling van een bedrag van ten minste een maandloon plaatsgevonden. Dat deze betaling op enigerlei wijze werd beïnvloed door het bedrijfsresultaat, zelfs wanneer dat negatief was, is niet gebleken. Ook het feit dat betaling van dit loonelement over de eerste drie maanden van 2000 heeft plaatsgevonden vormt voor de Raad een gegeven dat de stelling van appellant nader onderbouwt.

Uit het voorgaande volgt dat appellant naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ontvangen jaarlijks uitbetaalde éénmalige uitkering niet behoort tot de uitzondering op het loonbegrip als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en sub d, van de Dagloonregelen IWS.

Het door de werkgever van appellant overgelegde verslag van de vergadering op 28 april 1998 kan daaraan niet afdoen. Appellant was niet betrokken bij die bespreking en het staat de werkgever niet vrij geheel eenzijdig wijzigingen ten nadele van appellant aan te brengen in de kennelijk in onderling overleg afgesproken arbeidsvoorwaarden van appellant.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Ook het bestreden besluit dient, onder gegrondverklaring van het beroep, te worden vernietigd. Met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen zal gedaagde een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaar van appellant.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van appellant is de Raad niet gebleken. Wel dient gedaagde het door appellant betaalde griffierecht aan hem terug te betalen.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 104,37

(f 230,--) aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 20003.

(get) B.J. van der Net

(get) R.E. Lysen

MdH3106