Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AL8291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
01/4293 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de korting van 5 % op het wachtgeld omdat betrokkene niet als werkzoekende ingeschreven heeft gestaan bij het arbeidsbureau terecht, nu ontheffing is verleend van de sollicitatieverplichting?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4293 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juli 2001, nr. AWB 00/8959 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 augustus 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer. Gedaagde is niet verschenen.

II. MOTIVERING

1. Allereerst overweegt de Raad met betrekking tot de ondertekening van het bestreden besluit namens de Minister van Binnenlandse Zaken en het aanmerken van die Minister als verweerder in de aangevallen uitspraak het volgende. Het bestreden besluit betreft een nadere beslissing met betrekking tot de ontslaguitkering, zoals deze door gedaagde is toegekend bij het hierna te noemen ontslagbesluit. Gedaagde, en niet de Minister van Binnenlandse Zaken, is bevoegd tot het nemen van zodanige nadere beslissing.

In navolging van zijn uitspraak van 29 maart 2001, nr. 98/7095 AW in een eerder geding tussen partijen, ziet de Raad deze foutieve ondertekening en partijstelling als een kennelijke misslag die geen aanleiding vormt voor vernietiging van het bestreden besluit dan wel de aangevallen uitspraak.

2. Ten aanzien van de in dit geding van belang zijnde feiten volstaat de Raad met het volgende.

2.1. Aan appellant is bij besluit van gedaagde van 2 september 1997 met ingang van 1 oktober 1997 eervol ontslag verleend met toepassing van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement uit de functie van [naam functie] bij de Hoofdafdeling Realisatie Werken van de directie Zuid-Holland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat en een uitkering toegekend overeenkomstig de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB).

Ter zake van het aan appellant te verlenen ontslag is door gedaagde - limitatief - in afwijking van het RWB: 1) een regeling getroffen met betrekking tot de anti-cumulatie van inkomsten uit eigen bedrijf; 2) aan appellant ontheffing verleend van de sollicitatieplicht voor de periode van maximaal drie jaar, welke ontheffing slechts geldt voor de periode waarin hij aantoonbaar activiteiten ontplooit, die gericht zijn op het opzetten en uitoefenen van zijn eigen bedrijf.

2.2. Bij besluit van 16 mei 2000 is aan appellant medegedeeld dat zijn wachtgeld over de periode van 1 mei 2000 tot 22 juni 2000 met 5% wordt verminderd op de grond dat appellant gedurende de periode van 14 december 1999 tot 4 februari 2000 niet als werkzoekende ingeschreven heeft gestaan bij het arbeidsbureau.

2.3. Na namens appellant daartegen gemaakt bezwaar is de door gedaagde getroffen maatregel gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit van 3 juli 2000.

3. De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep bij aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. In artikel 4a, eerste lid, van het RWB is bepaald dat de betrokkene verplicht is zich bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven uiterlijk op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.

Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van het RWB kan het recht op wachtgeld geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de betrokkene de in artikel 4a, eerste lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bepaalde tijdstippen te doen verlengen.

4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant na zijn ziekmelding in januari 1999, per 14 december 1999 door de Arbodienst weer volledig arbeidsgeschikt is verklaard. Blijkens de in de loop van de procedure overgelegde inschrijvingsbewijzen heeft appellant zijn inschrijving bij het arbeidsbureau, die uiterlijk op 9 december 1999 diende te worden verlengd, eerst op

4 februari 2000 doen verlengen en heeft hij in de hier van belang zijnde periode van 14 december 1999 tot 4 februari 2000 niet bij het arbeidsbureau ingeschreven gestaan. De stelling van appellant dat hij in de betrokken periode wel ingeschreven heeft gestaan, wordt in het geheel niet met bewijsstukken onderbouwd, zodat de Raad daar verder aan voorbij zal gaan.

4.3. De Raad is van oordeel dat de onder 2.1. genoemde aan appellant verleende ontheffing van de sollicitatieverplichting niet met zich brengt dat appellant ten tijde hier van belang niet aan de in de artikel 13 van het RWB neergelegde verplichting behoefde te voldoen. Deze verplichting was niet uitgezonderd in de voor appellant bij het ontslag getroffen uitkeringsregeling op de voet van het RWB, nu daarin limitatief alleen de in 2.1. genoemde twee uitzonderingen op het RWB zijn gemaakt.

Ook de omstandigheid dat het arbeidsbureau in de namens appellant in geding gebrachte brief van 17 september 1999 te kennen heeft gegeven overeenkomstig het gevoerde overleg voor appellant geen bemiddelingsactiviteiten te willen of kunnen ondernemen doet aan zijn verplichting de inschrijving tijdig te verlengen niet af. Appellant had zijn gehoudenheid tot het ingeschreven staan op deze gronden overigens ook al kunnen afleiden uit de eerdere besluitvorming van gedaagde met betrekking tot zijn uitkering.

4.4. Nu appellant gedurende de in dit geding van belang zijnde periode niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting zijn inschrijving tijdig te verlengen en de Raad op geen enkele wijze is gebleken dat appellant gedurende deze periode daartoe redelijkerwijs niet in staat was, was gedaagde naar het oordeel van de Raad bevoegd de maatregel te treffen.

4.5. De Raad is voorts van oordeel dat de door gedaagde opgelegde maatregel, gelet op de handelwijze van appellant, niet onevenredig is te achten.

5. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb geen termen aanwezig en beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2003.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.W. Loots.