Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2003:AL1455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2003
Datum publicatie
30-09-2003
Zaaknummer
01/4717 WAOCON
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moet bij de terugvordering van de WAO-conforme uitkering het nieuwe recht dan wel het oude recht worden toegepast?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid XVI
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/4717 WAOCON

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, dan wel het bestuur van het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP), zijnde te dezen de rechtsvoorganger van het Lisv.

Onder dagtekening 23 mei 2000 heeft gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, zulks ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 februari 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij uitspraak van 24 juli 2001 heeft de rechtbank Utrecht appellants beroep tegen het besluit van 23 mei 2000 ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op door zijn gemachtigde mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Leusden, bij beroepschrift d.d. 23 augustus 2001 aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 19 november 2001, ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juli 2003. Namens appellant zijn verschenen mr. Van Norel, voornoemd, alsmede de echtgenote van appellant. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F. van Dam, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 februari 2000 en naar de aangevallen uitspraak.

Bij haar uitspraak van 23 februari 2000 heeft de rechtbank het in die procedure bestreden besluit van 18 november 1998 vernietigd op de grond dat dat besluit onbevoegdelijk was genomen, althans voor zover het betrekking heeft op terug- en invordering van herplaatsingstoelage.

Ten aanzien van de terugvordering van de WAO-conforme uitkering heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat het appellant duidelijk moet zijn geweest dat ten onrechte WAO-conforme uitkering werd nabetaald, aangezien zijn echtgenote over de ontvangen nabetaling met gedaagde contact heeft opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank was gedaagde dan ook bevoegd het bedrag aan onverschuldigd betaalde WAO-conforme uitkering over de periode 1 januari 1996 tot en met 31 juli 1996 op grond van het criterium 'redelijkerwijs duidelijk' van appellant terug te vorderen, en was gedaagde van 1 augustus 1996 tot en met 30 november 1996 verplicht tot terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering over te gaan.

Met betrekking tot de hoogte van het terug te vorderen bedrag heeft de rechtbank ten slotte overwogen dat het besluit van 18 november 1998, voor zover dit betrekking heeft op terugvordering van WAO-conforme uitkering, voor vernietiging in aanmerking komt, aangezien het niet gedragen wordt door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, nu het netto bedrag van de terug te vorderen WAO-conforme uitkering nergens uit de stukken blijkt, omdat steeds alleen het netto totaalbedrag van de WAO-conforme uitkering en de herplaatsingstoelage is vermeld. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de uitspraak van 23 februari 2000 heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit het netto terug te vorderen bedrag aan WAO-conforme uitkering afgesplitst van het in het vernietigde besluit van 18 november 1998 vermelde totaalbedrag en dit bedrag vastgesteld op f 10.686,21. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit voorts besloten dit bedrag terug te vorderen met toepassing van het vanaf

1 augustus 1996 geldende recht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich met een en ander kunnen verenigen.

Appellant heeft drie grieven tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd.

In de eerste plaats is hij het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat USZO bij de beslissing op bezwaar van 18 november 1998 de terugvordering heeft verhoogd van f 12.068,78 naar een bedrag van f 13.251,57. Hij is van mening dat het in strijd is met alle beginselen van behoorlijk bestuur om een terugvordering bij beslissing op bezwaar te verhogen. Indien USZO van oordeel was dat de terugvordering hoger was dan aanvankelijk was vastgesteld, had USZO een nieuw primair terugvorderingsbesluit moeten nemen, waartegen bezwaar en beroep open staat.

In de tweede plaats is appellant van mening dat de terugvordering, voor zover betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 1996 beoordeeld had moeten worden naar het oude recht. Appellant houdt staande dat hij redelijkerwijs niet kon weten dat en hoeveel uitkering hij teveel genoot, mede doordat USZO herplaatsingstoelage en WAO-conforme uitkering ten onrechte had samengevoegd en ten onrechte tezamen had teruggevorderd.

In de derde plaats is appellant van mening dat de zogenaamde zes-maanden-jurisprudentie wel van toepassing is op de terugvordering, voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 1996. USZO had binnen zes maanden nadat (de echtgenote van) appellant telefonisch op 25 oktober 1996 vraagtekens had gezet bij een nabetaling van f 8.934,10 netto actie behoren te ondernemen.

Met betrekking tot de eerste grief overweegt de Raad dat in dit geding niet de vraag voorligt of het gedaagde vrij stond de netto terugvordering van het bedrag van f 12.068,78 (WAO-conforme uitkering plus herplaatsingstoelage minus correctie premie Ziekenfondswet) bij de beslissing op bezwaar van 18 november 1998 te wijzigen in f 13.251,71 (WAO-conforme uitkering plus herplaatsingstoelage). Dat besluit is immers door de rechtbank bij uitspraak van 23 februari 2000 vernietigd en ligt thans niet ter toetsing voor. Voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat op het bij het thans bestreden besluit teruggevorderde bedrag aan WAO-conforme uitkering een bedrag van f 1.182,39 in mindering had moeten worden gebracht, omdat dat bedrag destijds bij het primaire besluit van 26 augustus 1997 ook in mindering was gebracht op het totaal aan WAO-conforme uitkering en herplaatsingstoelage teruggevorderde bedrag, overweegt de Raad dat deze grief geen doel treft. Het bedrag van f 1.182,39 betreft een correctie van ten onrechte ingehouden premie Ziekenfondswet die inmiddels op andere wijze was geëffectueerd, zodat afboeking op de netto vordering van ten onrechte betaalde WAO-conforme uitkering (en herplaatsingstoelage) niet meer aan de orde was. Het ware denkbaar geweest dat gedaagde met betrekking tot deze correctie een apart primair besluit zou hebben afgegeven, maar de Algemene wet bestuursrecht verzet zich er niet tegen om, nu tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde bevoegd is tot deze correctie, deze correctie mee te nemen in een beslissing op bezwaar.

Met betrekking tot de tweede grief overweegt de Raad dat, nu de onderhavige (na)betalingen hebben plaatsgevonden na 1 augustus 1996, te weten in oktober en november 1996, uit artikel XVI van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid weliswaar voortvloeit dat het nieuwe terugvorderingsrecht van toepassing is, maar dat in de rechtsverhouding tussen partijen heeft te gelden wat de rechtbank in haar uitspraak van 23 februari 2000, waartegen geen van beide partijen hoger beroep heeft ingesteld, heeft overwogen en beslist.

Bij die uitspraak is, enerzijds, beslist dat het oude recht van toepassing is op de nabetaling over de maanden januari tot en met juli 1996, maar is, anderzijds, tevens beslist dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van het criterium 'redelijkerwijs duidelijk' is voldaan. Appellants grief inzake het toe te passen recht treft dus doel, maar ten gronde baat dit hem niet, omdat, bij toepassing van het oude recht, gedaagde de onverschuldigd betaalde uitkering evenzeer mag terugvorderen.

Nu de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terugvordering van het gehele bedrag met toepassing van het nieuwe recht toelaatbaar heeft geacht en aldus heeft miskend dat de inhoud van de uitspraak van 23 februari 2000 in de rechtsverhouding tussen partijen maatgevend is, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

Het bestreden besluit, dat evenzeer de betekenis van de uitspraak van 23 februari 2000 miskent, komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten, nu de terugvordering van een bedrag van f 10.686,21 netto aan WAO-conforme uitkering materieel geheel juist is.

Het vorenstaande impliceert tevens een verwerping van appellants derde grief. Dienaangaande volstaat de Raad met de opmerking dat de zes-maanden-jurisprudentie ziet op beperking van terugvordering in geval het bestuursorgaan, ondanks een signaal, langer dan zes maanden doorgaat met het betalen van een te hoge uitkering. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake; het gaat in casu om onjuiste betalingen in twee achtereenvolgende maanden.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De te vergoeden proceskosten worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- ter zake van kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- ter zake van kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2003.

(get.) J.Janssen.

(get.) A.C.W. van Huussen.

MH